Niet-tijdig aankopen lijfrente na expiratie lijfrentekapitaal
30 maart 2010 - Een man heeft in 1999 een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule gesloten. De verzekering is op 1 juli 2004 geëxpireerd. In plaats van lijfrente-uitkeringen aan te kopen heeft de man in oktober 2006 aan de verzekeraar verzocht om het kapitaal ineens uit te keren.
De verzekeraar heeft vervolgens aan de man medegedeeld dat in geval van afkoop de verzekeraar aansprakelijk is voor de verschuldigde inkomstenbelasting en ook voor de te betalen revisierente. De verzekeraar zal daarvoor een bedrag achterhouden. De afkoopwaarde van de polis bedraagt € 7.442,84 en het achter te houden bedrag is € 8.229,96. Aan de man wordt voorlopig niets uitgekeerd, pas als de belastingdienst een vrijwaringsverklaring afgeeft zal de verzekeraar het bedrag overmaken.
De belastingdienst heeft op 7 februari 2007 een navorderingsaanslag opgelegd, waarbij de in het verleden in aftrek gebrachte premies bij het inkomen worden opgeteld als negatieve uitgaven voor inkomensvoorzieningen en een beschikking opgelegd voor de te betalen revisierente. De man is van mening dat er geen sprake is afkoop van de polis; hij heeft nog geen geld ontvangen. Bovendien wil hij alsnog de gelegenheid krijgen om de lijfrente in de vorm van periodieke uitkeringen te krijgen.
Het Hof Amsterdam is van oordeel dat van de man mag worden verwacht dat hij ongeveer zes maanden na expiratie van de polis de aankoop van de lijfrentetermijnen zou hebben geregeld. Nu dat niet is gebeurd heeft de inspecteur terecht een navorderingsaanslag opgelegd wegens het niet nakomen van de lijfrenteverplichtingen en ook de beschikking revisierente is terecht opgelegd.
Noot
Op de expiratiedatum van de gerichte lijfrente moeten de lijfrentetermijnen worden aangekocht. Volgens vaste jurisprudentie bestond hiervoor een redelijke termijn. Deze redelijke termijn bedroeg zes maanden bij leven en twaalf maanden bij overlijden. Inmiddels is door de invoering van de Fiscale Vereenvoudigingswet 2010 een termijn voor de bepaling van de omvang van de lijfrentetermijnen in de Wet IB 2001 (art. 3.133, lid 3) opgenomen. Bij leven is de "bedenktermijn" verlengd tot het einde van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van expiratie; bij overlijden tot het einde van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van overlijden. Als de termijn wordt overschreden wordt er geacht sprake te zijn van afkoop van de lijfrente op het tijdstip van het overschrijden van die termijn.
De verzekeraar moet de Belastingdienst erover informeren als de redelijke termijn wordt overschreden.
Bron
Gerechtshof Amsterdam nr.08/00497, LJN BL7574, 11 maart 2010