Redelijke termijn voor aankoop van pensioenuitkeringen volgens de Belastingdienst
10 mei 2010 - Onlangs heeft het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) van de Belastingdienst een vraag & antwoord gepubliceerd over de uitleg van het begrip “redelijke termijn” met betrekking tot aankoop van pensioen- of stamrechtuitkeringen.
Vraag
Bij expiratie van een pensioen- of stamrechtpolis of bij de deblokkering van een stamrechtspaarrekening of een stamrechtbeleggingsrecht hebben belanghebbenden een redelijke termijn nodig voor oriëntatie en voor de beoordeling van eventuele offertes. Wat is in deze situaties een redelijke termijn waarbinnen de uitkeringen moeten zijn ingegaan?
In zijn antwoord maakt het CAP hierbij een onderscheid naar de situatie bij leven en de situatie bij overlijden.
Uitkering bij leven
Als de eerste gerechtigde tot de uitkeringen uit het pensioen of het stamrecht op de expiratie- of deblokkeringsdatum nog in leven is, kan in alle gevallen een termijn van zes maanden na de overeengekomen expiratie- of deblokkeringsdatum als redelijk worden aangemerkt.
Uitkering voor nabestaanden
Als de expiratie of de deblokkering het gevolg is van het overlijden van de eerste gerechtigde tot de uitkeringen uit het pensioen of het stamrecht, kan in alle gevallen een termijn van twaalf maanden na de expiratie- of deblokkeringsdatum redelijk worden genoemd.
Stamrechten
De bovenstaande termijnen gelden altijd bij stamrechtspaarrekeningen en stamrechtbeleggingsrechten, ook als (uiteindelijk) geen periodieke uitkering wordt aangekocht. De reden hiervoor is dat belanghebbenden de termijn kunnen gebruiken om aan de hand van offertes te kunnen beslissen of zij een periodieke uitkering willen aankopen of dat zij kiezen voor de uitkering van het tegoed resp. de beleggingswaarde in termijnen (artikel 11a, derde en vierde lid, Wet LB). De bovenstaande termijnen gelden niet als artikel 11a, vijfde lid, Wet LB, van toepassing is (als na overlijden van de werknemer de uitkeringen niet kunnen overgaan op zijn (ex)-partner of kinderen jonger dan 30 jaar).
Algemeen
In de situatie waarin het niet mogelijk is om de uitkeringen in te laten gaan binnen één van de hierboven gestelde termijnen, zal de gerechtigde tot het pensioen, het stamrecht, de stamrechtspaarrekening of het stamrechtbeleggingsrecht tegenover de inspecteur aannemelijk moeten maken dat in zijn geval de redelijke termijn nog niet is verstreken.
Als nadere toelichting stelt het CAP dat de bovenstaande termijnen alleen gelden in geval van een overeengekomen pensioen of stamrecht waarin de hoogte van de uitkering niet reeds van tevoren vaststaat. De termijnen gelden derhalve niet bij eindloon- of middelloonpensioenen dan wel pensioenen uit een beschikbare-premieregeling waar de premie onmiddellijk wordt omgezet in een aanspraak op een uitkering. De termijnen gelden evenmin bij stamrechten waarbij de hoogte van de uitkeringen al in de stamrechtovereenkomst is overeengekomen. Het pensioen of het stamrecht kan dus uiteindelijk een half jaar of een jaar later ingaan dan volgens de Wet LB zou moeten. Hieraan zijn geen fiscale gevolgen verbonden.
Noot
Deze termijnen sluiten niet aan bij de termijnen genoemd in de Wet IB 2001. Sinds 1 januari 2010 zijn namelijk in artikel 3.133 Wet IB 2001 de “bedenktermijnen” opgenomen. De bedenktermijn voor een lijfrentekapitaal bij leven loopt tot het einde van het kalenderjaar na de expiratiedatum; bij overlijden tot het einde van het tweede kalenderjaar na overlijden. De Belastingdienst heeft dit standpunt mede op verzoek van het Verbond van Verzekeraars ingenomen.
Volgens vaste jurisprudentie bedroeg tot die tijd de redelijke termijn zes maanden bij leven en twaalf maanden bij overlijden. Het CAP handhaaft dit blijkbaar voor pensioen en stamrechtverzekeringen.
Bron
www.belastingdienstpensioensite.nl, V&A-Handreikingen pensioen LB, Vraag & Antwoord 10-001, 4 mei 2010