Pensioenpremie voor vrijwillige voortzetting pensioen na 3-jaarsperiode aftrekbaar

02 april 2010 - Casus
De heer A. was van 1 februari 1976 tot 1 augustus 2000 werkzaam bij X BV. Tijdens zijn dienstverband heeft hij deelgenomen aan de pensioenregeling van de werkgever. In verband met een reorganisatie werd hij per 1 augustus 2000 ontslagen.

In het pensioenreglement van het pensioenfonds van X BV was het volgende opgenomen: “Indien de deelneming eindigt anders dan door overlijden is het bestuur bevoegd om toe te staan, dat de gewezen deelnemer de deelneming voor eigen rekening voortzet, mits het verzoek daartoe binnen drie maanden na het einde van de deelneming door de gewezen deelnemer aan het fonds is gedaan”. De man heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en heeft tot mei 2004 pensioenpremies betaald aan het pensioenfonds.
Van augustus 2000 tot en met augustus 2004 heeft belanghebbende op projectbasis gewerkt. Hij heeft in deze periode niet deel genomen aan de pensioenregelingen van de latere werkgevers.

Geschil
In geschil is of de werknemer de betaalde pensioenpremies voor de vrijwillige voortzetting van zijn pensioenregeling ook na de periode van drie jaar zoals genoemd in het Besluit van 20 november 2002, nr CPP/1303M, dus van 1 augustus 2003 tot 1 mei 2004, in aftrek mag brengen als negatief loon.

Oordeel Hof Den Bosch
Hof Den Bosch oordeelde dat de gehele premie als negatief loon in aftrek kan worden gebracht. Er is in de Wet LB geen omschrijving te vinden van negatief loon. Wel moet er volgens het Hof Den Bosch voor de kwalificatie van negatief loon voldoende causaal verband zijn met de dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking.
Het Hof Den Bosch verwijst hiervoor naar de uitspraak van de Hoge Raad van 7 oktober 1992 (nr. 28 204, BNB 1993/5). Dit arrest van de Hoge Raad over negatief loon betrof de kwalificatie van een (vrijwillige) betaling van een werknemer aan de werkgever voor een voorwaardelijk optierecht. De vrijwillige betaling vormde negatief loon en stond tegenover iets dat nog uit een dienstbetrekking genoten zou (kunnen) worden. In deze situatie heeft de heer A. de pensioenregeling bij het Pensioenfonds vrijwillig kunnen voortzetten vanwege zijn tot 1 augustus 2000 vervulde dienstbetrekking en is er volgens Hof Den Bosch voldoende causaal verband.

Nu de heer A zijn pensioenregeling bij het Pensioenfonds heeft kunnen voortzetten en pensioenaanspraken is blijven opbouwen totdat hij in mei 2004 de premiebetaling zelf heeft beëindigd, heeft hij betalingen gedaan waartegenover een voordeel staat dat hij nog uit de dienstbetrekking bij X zal (kunnen) genieten.
Hof Den Bosch oordeelt dat de pensioenpremies ook na drie jaar als negatief loon in aanmerking kunnen worden genomen.


Noot
Dit is een opmerkelijke uitspraak. Op grond van artikel 18g van de Wet LB 1964 zijn regels gesteld bij AmvB op grond waarvan perioden kunnen worden aangemerkt als diensttijd dan wel deelnemingsjaren voor de opbouw van pensioen. In artikel 10a, eerste lid onderdeel c van het Uitvoeringsbesluit Loonbelasting 1964 wordt als diensttijd aangemerkt de periode na onvrijwillige ontslag gedurende welke een loongerelateerde uitkering wordt ontvangen of, onder door Onze Minister te stellen voorwaarden, perioden na ontslag van ten hoogste drie jaar. Het Hof volgt de inspecteur die stelt dat er sprake is van een zuivere pensioenregeling in de zin van de Wet LB. Voor het hof was vervolgens maatgevend dat de man zijn pensioenregeling heeft kunnen voortzetten en betalingen heeft gedaan waartegen een voordeel staat dat hij nog uit de dienstbetrekking bij de voormalige werkgever zal (kunnen) genieten.

Op deze pensioenregeling was ook de Pensioen- en spaarfondsenwet en de Regeling taakafbakening pensioenfondsen (Stcrt. 22 december 2000, nr. 249) van toepassing. In de Regeling is een grens van drie jaar opgenomen voor de vrijwillige voortzetting van een pensioenregeling bij een pensioenfonds. De Regeling is pas in werking getreden op 1 juni 2001. Omdat de vrijwillige voortzetting door beide ex-werknemers is gestart vóór 1 juni 2001 is de overgangsregeling van toepassing. Deze overgangsregeling houdt in dat de vrijwillige voortzetting moet eindigen op 1 juni 2006.

Sinds 1 januari 2007 is in artikel 54 Pensioenwet een soortgelijke bepaling als in de Regeling opgenomen. Volgens dit artikel kan een ex-werknemer eveneens de pensioenregeling voor maximaal drie jaar na de beëindiging van de dienstbetrekking op vrijwillige basis voortzetten. Ook hierbij gelden enige voorwaarden. Voor een ex-werknemer die aansluitend op het einde van de dienstbetrekking als ondernemer werkzaam is, is vrijwillige voortzetting zelfs mogelijk gedurende 10 jaar. De fiscale regelgeving biedt deze mogelijkheid niet.


Praktisch
Voor de praktijk heeft deze uitspraak vooralsnog geen betekenis.


Bron
www.rechtspraak.nl LJN: BK8382, Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 06/00184   http://zoeken.rechtspraak.nl/resultpage.aspx?snelzoeken=true&searchtype=ljn&ljn=BK8382