Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Pensioen en de formatie – deel 1

30 maart 2017

door Herman Kappelle, Directeur Adfis

Nederland is aan het formeren. De herziening van het pensioenstelsel zal waarschijnlijk niet ontbreken in het regeerakkoord. In dit drieluik schrijft Herman Kappelle over wat moet én wat al kan in het pensioen.

Maak de stelselherziening voor pensioenen niet groter dan nodig

Nederland praat al geruime tijd over de herziening van het pensioenstelsel. Zicht op een nieuw pensioenstelsel is er echter nog niet en de politieke verschillen zijn groot. Dat bleek ook tijdens het debat tussen pensioenwoordvoerders van zes politieke partijen* , georganiseerd door het Expertisecentrum Pensioenrecht van de VU in samenwerking met Aegon. Want al gebruiken politici dezelfde woorden, ze (b)lijken daar soms een andere betekenis aan toe te kennen. Dat er een stelselherziening moet komen, daar is iedereen het wel over eens. Maar hoe die eruit moet zien, is vooralsnog onduidelijk. Een breed politiek gedragen alternatief stelsel is er nog niet.

Dit is de enige vraag die er écht toe doet

Ik geef de bij de kabinetsformatie betrokken partijen in overweging om de discussie over de stelselherziening te versmallen tot de enige échte vraag die er toe doet:

Willen we van een jaarlijks gelijke pensioenopbouw per dienstjaar waarbij de kosten daarvan stijgen naarmate de deelnemer ouder wordt, naar een systeem waarbij de kosten per deelnemer leeftijd onafhankelijk worden en de jaarlijkse pensioenopbouw (dus) minder wordt naarmate de deelnemer ouder wordt? Dit is overigens al mogelijk op basis van de huidige wet- en regelgeving. 

Maar, dan zijn er wel principiële keuzes nodig over de manier waarop we de pensioenopbouw in Nederland fiscaal willen faciliteren. En dat vergt politieke bereidheid en moed. Van de sociale partners, met name de vakbeweging, en van het kabinet.

Om de kosten per deelnemer gelijk te houden is degressieve opbouw nodig

Een pensioenopbouw voor iedere deelnemer, ongeacht leeftijd, van 1,875% per dienstjaar (zoals gebruikelijk bij middelloonregelingen) leidt per deelnemer tot stijgende kosten naarmate hij ouder wordt. Toch de jaarlijkse kosten per deelnemer gelijkhouden? Dan moet de opbouw per dienstjaar minder worden naarmate de deelnemer ouder wordt. Dat heet in het SER-jargon ‘degressieve opbouw’. Degressieve opbouw in een uitkeringsovereenkomst (middelloonregeling) laat zich moeilijk rijmen met het voorschrift dat de beloning niet leeftijdsafhankelijk mag zijn. Die regels zijn gebaseerd op Europese richtlijnen. Dat maakt het onmogelijk de regels op nationaal niveau te veranderen. 

Op basis van huidige wet- en regelgeving is al veel mogelijk

We kunnen ook kiezen voor een beschikbare premieregeling met voor iedere deelnemer – ongeacht leeftijd – hetzelfde percentage aan beschikbare premie. We bereiken dan materiaal precies hetzelfde. Dit is op basis van de huidige wet- en regelgeving al mogelijk en levert geen leeftijdsonderscheid op. En de facto is bij een dergelijke regeling sprake van een degressieve opbouw. Bij een gelijke premie voor iedereen kun je naarmate je ouder wordt steeds minder pensioen aankopen. Immers: hoe ouder je bent, hoe duurder het pensioen wordt dat je op de pensioeningangsdatum in kunt kopen. En deelnemers die moeilijk afscheid kunnen nemen van een pensioen in de vorm van een gegarandeerde periodieke uitkering? Op basis van de huidige wet- en regelgeving kunnen zij er nu al voor kiezen om hun beschikbare premie meteen, in het jaar van toekennen, om te zetten in een uitgestelde gegarandeerde periodieke uitkering op basis van de op dat moment door de pensioenuitvoerder gehanteerde tarieven. Materieel  levert dat hetzelfde resultaat op als een middelloonregeling.

Hoe bereiken we een gelijkblijvend percentage voor álle deelnemers?

Een knelpunt hierbij vormt de fiscale regelgeving. Want de fiscus staat een voor iedereen gelijkblijvende beschikbare premie alleen toe als de beschikbare premie niet hoger is dan het staffelpercentage dat hoort bij de leeftijdscategorie 20-24. En als dit relatief lage percentage voor alle deelnemers geldt, is het onmogelijk om in 40 dienstjaren een pensioen op te bouwen dat vergelijkbaar is met het huidige middelloonniveau. Het percentage moet vanaf de aanvang dan ongeveer twee keer zo hoog zijn. Anders kan met dit systeem niet dezelfde pensioenopbouw worden bereikt.  

De huidige fiscale facilitering moet geschrapt worden

Ook hier is geen ingrijpende wijziging van wetgeving voor nodig. De staatssecretaris van Financiën kan dit met een besluit regelen. Maar dan moet wel de fiscale facilitering van de middelloonregelingen en van de stijgende beschikbare premiestaffel geschrapt worden. Waarom? De opbouw uit hoofde van de beschikbare premieregeling heeft in de eerste helft van de opbouwperiode een hogere pensioenopbouw per jaar dan de klassieke middelloonregeling; en in de tweede helft een lagere. Hetzelfde geldt voor de gelijkblijvende staffel ten opzichte van de stijgende staffel. Door op het juiste moment over te stappen, is het mogelijk van twee walletjes te eten. Dan  kan meer pensioen worden opgebouwd dan we nu fiscaal aanvaardbaar vinden.  

De stelselwijziging kan eenvoudig worden gerealiseerd

Het schrappen van de fiscale facilitering van eindloon- en middelloonregelingen en het fiscaal alleen maar toestaan van pensioenopbouw op basis van een voor iedereen gelijkblijvend beschikbare premiepercentage, kan je inderdaad betitelen als een stelselwijziging. Maar wel eentje die op relatief eenvoudige wijze kan worden gerealiseerd. Dus daar zou wat mij betreft de discussie over moeten gaan. Het is overzichtelijk en leidt tot heldere en principiële keuzes. Laten we daar maar eens mee beginnen!

 

 

*VVD, PvdA, CDA, D66, 50+ en SP

Herman Kappelle
Herman Kappelle, Directeur Adfis
Herman Kappelle is directeur Aegon Adfis en bijzonder hoogleraar fiscaal pensioenrecht. Aandachtsgebied groot zakelijke markt en de politieke ontwikkelingen rond pensioen.