Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Slaat het Centraal Planbureau de plank mis?

17 maart 2015

Het Centraal Planbureau adviseert de overheid bij de Pensioendialoog. Volgens het CPB zouden werknemers individueel recht hebben op de pensioenpremie die hun werkgever bijdraagt. Of die analyse juist is, hangt echter sterk af van de gekozen uitgangspunten. Beleidsadviseur Kees Kamminga van Aegon vraagt zich af of het CPB de plank economisch en juridisch misslaat.

Inleiding

Voor een goed pensioenstelsel is in de eerste plaats van belang dat werknemers gedurende hun carrière een adequaat pensioen opbouwen. Op hoofdlijnen zijn er in de Pensioendialoog dan twee opties: Evenredige opbouw tegen progressief stijgende kosten of gelijkblijvende kosten met degressieve opbouw. Beide systemen kennen voor- en nadelen. 

Evenredige opbouw is de huidige norm in Nederland en heeft ons stelsel in combinatie met kapitaaldekking en de AOW tot een van de beste van de wereld gemaakt. Evenredige opbouw is een meer juridische insteek die uitgaat van gelijke pensioenopbouw per jaar, ongeacht leeftijd. 

Als je gelijkblijvende kosten (en daarmee degressieve opbouw) als uitgangspunt neemt, bezie je de arbeidsvoorwaarde pensioen vanuit economisch perspectief. 

Belangrijk om te vermelden is dat sturing op de pensioenlast in beide systemen mogelijk blijft; via verlaging van de inleg of via verlaging van de opbouw. De facto gaat het over hetzelfde, wat je er aan geld in steekt, komt er ook uit.  

Het grote verschil tussen beide systemen is de premieverdeling over de diensttijd. Wanneer je helemaal nieuw kan starten met een pensioensysteem is dat geen probleem. Als je echter al 50 jaar op pad bent in een systeem van evenredige opbouw, wordt dat wel een probleem. Dan creëer je door over te stappen op degressieve pensioenopbouw enorme transitieproblemen. Denk hierbij aan de door het CPB becijferde 100 miljard aan transitiekosten en overgangsregelingen die je jarenlang zal moeten uitvoeren. Terwijl als je kiest voor continuatie van de evenredige pensioenopbouw, er geen transitieproblemen zullen optreden. 

Het CPB rapport

De kruks van het rapport is dat het CPB van mening is dat deelnemers individueel recht hebben op de werkgeverspremie en daarmee eigenlijk op de loonruimte. Het CPB voert hiervoor de volgende motieven aan:

  • Voor een nieuwe werknemer zijn de marginale loonkosten gelijk aan de doorsneepremie.
  • Veel BPF-en hebben een werknemerspremie van bijvoorbeeld 50% van de doorsneepremie. De bijdrage van een werkgever voor een jongere zou dan een beloning i.p.v. een belasting voor hem zijn.
  • Veelal ontvangen deelnemers met een 100K+ salaris een compensatie ter grote van de (doorsnee)werkgeverspremie.  

 

Deze economisch ingestoken argumenten overtuigen niet. Werknemers krijgen volgens het CPB recht op de loonruimte. Op de vraag of werkgevers dezelfde zienswijze hebben als het CPB, laat het antwoord zich raden. Zou dit naar analogie dan bijvoorbeeld ook gelden voor  andere arbeidsvoorwaarden met een werkgeversbijdrage, zoals reiskosten of het opleidingsbudget? 
Het CPB gaat hiermee ook voorbij aan een aantal juridische uitgangspunten die ten grondslag liggen aan ons huidige pensioenstelsel. De juridische voorschriften inzake gelijke behandeling naar leeftijd schrijven voor middelloonregelingen bijvoorbeeld sinds jaar en dag evenredige opbouw voor. Dat zal iedere pensioenjurist beamen. 

Verder in het rapport lezen we dat de door de doorsneepremie uitgevoerde ongelijke behandeling naar leeftijd ertoe leidt dat er in de toekomst herstelcompensaties noodzakelijk zijn. Dat lijkt sterk op het paard achter de wagen spannen. Eerst pas je vanuit een economisch gezichtspunt het stelsel aan, om vervolgens vanuit een juridisch standpunt de daaruit ontstane schade te herstellen. 

Vanuit een juridische invalshoek is de oorzaak van de transitieproblemen echter niet gelegen in de toegepaste doorsneepremie in het verleden, maar in de invoering van degressieve pensioenopbouw voor de toekomst. Volgens vaste rechtspraak van het College van de rechten van de mens mag de beschikbare premie voor ouderen verschillen met die van jongeren mits het pensioenresultaat op de pensioeningangsdatum hetzelfde is. Dan is er sprake van een objectieve rechtvaardigingsgrond op grond waarvan het verschil in premie ie toegestaan  

De stellingname van het CPB kan mogelijk verstrekkende gevolgen hebben. Want als het CPB standpunt geldt, werkt dat dan vanaf het heden of werkt het terug naar het verleden? Is het zo dat het pensioenreglement dan eigenlijk niet maatgevend is voor de opgebouwde pensioenaanspraken in het verleden? En dat bijvoorbeeld de jaarlijks verstrekte UPO’s en de cijfers voor uitkeringsovereenkomsten in het Pensioenregister onjuist zijn? In de visie dat werknemers recht hebben op de loonruimte past namelijk de maatregel dat jongeren die in het verleden te weinig pensioen hebben gekregen nu alsnog gecorrigeerd gaan worden. Maar bij deze logica past dan ook dat oudere deelnemers, stel dat ze van hun 45ste tot 55ste hebben deelgenomen, alsnog gekort zouden moeten worden. 

Voorts ontbreken in de analyse van het CPB de gevolgen voor de deelnemers die niet bij een bedrijfstakpensioenfonds zijn aangesloten. Door de discussie te voeren langs de as van de doorsneepremie zou je deze pensioendeelnemers haast vergeten.

Deze deelnemers hebben bijvoorbeeld dezelfde middelloonregeling als een bedrijfstakpensioenfonds, maar nu uitgevoerd door het ondernemingspensioenfonds van de werkgever of door een pensioenverzekeraar. Hier geldt echter geen doorsneepremie en voor hen blijft het oude pensioenreglement dus wel gelden en zijn de in het verleden afgegeven UPO’s wel juist, moet dan de conclusie zijn.      

Deze ongelijkheid tussen pensioen dat wel/niet uit een doorsneepremie gefinancierd is, plaatst de voorgestelde transitiepaden in een ander licht. Het CPB beschrijft in haar rapport bijvoorbeeld een variant waarin de in het verleden te weinig opgebouwde pensioenrechten via een kop op de AOW gecompenseerd kunnen worden.  Wordt dat dan individueel maatwerk vanuit de arbeidshistorie? Een deelnemer met 10 arbeidsjaren bij een verzekeraar en 10 arbeidsjaren bij een bedrijfstakpensioenfonds, krijgt voor 10 jaar compensatie. Een werknemer die 20 jaar onder een bedrijfstakregeling heeft gewerkt krijgt 20 jaar gecompenseerd. 

Dit wordt wel erg complex, nog afgezien van de politieke vraag of je een tekort van een bedrijfstakpensioenfonds wilt financieren uit de algemene middelen. Dan betalen immers alle belastingplichtigen mee, zelfs degenen zonder pensioen.

Conclusie

De gevolgen van de zienswijze van het CPB zijn groot. Het CPB standpunt lijkt een individuele claim van werknemers op de loonruimte in te houden en dat kan uiteindelijk verder reiken dan de arbeidsvoorwaarde pensioen. 

Bovendien is van belang te beseffen dat de keuze voor wel of niet degressieve pensioenopbouw bepaalt of er wel of niet majeure transitietrajecten noodzakelijk zijn. En dus niet de discussie over het afschaffen van de doorsneepremie. Een doorsneepremie is niet meer dan een afspraak hoe de financieringslasten van pensioen over werkgevers en werknemers worden verdeeld.

In de Pensioendialoog zullen de plussen en minnen van evenredige en degressieve pensioenopbouw  afgewogen moeten worden, waarbij de grote transitieproblemen verbonden zijn aan degressieve pensioenopbouw. Tot nu toe is die discussie helaas uit balans en lijkt voortzetting van evenredige opbouw op voorhand al van het toneel verdwenen te zijn.

Het is dus zaak kritisch naar de uitgangspunten van het CPB rapport te kijken. Het verschil tussen pensioenaanspraken en de financiering daarvan luistert nauw. 

 

Kees Kamminga
Strategisch Beleidsadviseur Aegon Pensioen