Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Revisierente over premievrijgesteld lijfrentekapitaal

31 mei 2018

Bij afkoop van een lijfrentepolis is M revisierente verschuldigd over de volledige afkoopwaarde. Die afkoopwaarde is gedeeltelijk opgebouwd uit premies waarvoor zijn overleden echtgenote (E) premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid (pvi) was verleend. Volgens M is hij daarom geen revisierente verschuldigd over (dat deel van) de afkoopwaarde.

Premievrijgestelde premie is niet betaald; dus geen revisierente?

E sloot een lijfrentepolis in 1995. In 2000 raakte zij arbeidsongeschikt en in 2012 overlijdt zij. Over de periode 2000 tot haar overlijden hoefde E geen premies meer te betalen voor haar lijfrentepolis, omdat zij daarvoor pvi kreeg. In 2014 koopt haar echtgenoot (M) de lijfrenteverzekering af. De inspecteur van de Belastingdienst is van mening dat de gehele afkoopwaarde belast is en dat M over deze volledige waarde revisierente verschuldigd is. M tekent bezwaar aan tegen het betalen van revisierente. Volgens hem heeft E de premies niet in aftrek gebracht. In ieder geval niet over het deel waarvoor pvi is verleend. Hij vraagt de inspecteur om afgifte van een verklaring over niet-afgetrokken premies die zijn betaald voor de lijfrentepolis. De inspecteur wijst dit verzoek af met als motivatie dat de premies niet in aftrek konden komen omdat vanaf 2000 geen premies meer zijn betaald. M gaat in beroep.

Rechter: revisierente over gehele lijfrente

Op grond van de polisvoorwaarden was er sprake van een verzekering waarvoor de betaalde premies volgens de Wet op de inkomstenbelasting aftrekbaar waren.

M vraagt de rechtbank om kwijtschelding van de revisierente of verlaging daarvan omdat er vanaf 2000 geen premies meer zijn betaald door E. En als er geen premies zijn betaald, dan kunnen die ook niet worden afgetrokken aldus M.

De rechter geeft aan dat er geen sprake kan zijn van volledige kwijtschelding van de revisierente. Over de periode 2000 tot overlijden van E werd de premiebetaling weliswaar overgenomen door de verzekeraar, maar over de periode tot 2000 betaalde E de premies wel zelf. En M kan niet aantonen dat E de premies tot haar arbeidsongeschiktheid niet in aftrek heeft gebracht.

De rechtbank gaat er verder van uit dat E het risico van arbeidsongeschiktheid had meeverzekerd in de lijfrentepolis. Er is dus sprake van een fictieve premietoevoeging, aldus de rechtbank. De rechtbank verwijst hiervoor  naar het arrest van de Hoge raad van 12 maart 2004ECLI:NL:HR:2004:AF4956.

“Voor de revisierente heeft dit tot gevolg dat de gehele lijfrente-uitkering is opgebouwd uit de premies die door E zijn betaald in de periode van het afsluiten van de polis tot 28 november 2000. De premies die in deze periode betaald zijn, konden volledig in aftrek worden gebracht, inclusief het deel dat bestemd was voor de arbeidsongeschiktheidsdekking. Dit volgt voor de huidige wet uit de beantwoording van vragen inzake het nieuwe belastingstelsel in het besluit van 13 februari 2001, CPP2000/3210M, vraag B.3.7.f. Spiegelbeeldig betekent dit dat revisierente is verschuldigd over de afkoop van de gehele lijfrente-uitkering”, aldus de rechtbank.

Hierdoor is dan ook revisierente verschuldigd over de gehele lijfrente-uitkering.

Commentaar

De uitspraak is niet verrassend. De rechtbank brengt de discussie (terecht) terug naar de vraag of de premie voor pvi behoort tot de premie die E betaalde. En of de door E betaalde premies door haar in aftrek zijn gebracht. Omdat de totale premie (inclusief pvi-premie) volgens de Wet op de inkomstenbelasting aftrekbaar is, moet degene die stelt dat de premies niet afgetrokken zijn dit aantonen. En dat kon M niet.

Het niet of minder betalen van de revisierente wordt door M als eis neergelegd. Het vreemde hierbij is dat hij de verschuldigde belasting over de gehele lijfrente-uitkering niet betwist. Hierdoor kan het niet anders dan dat hierover ook revisierente verschuldigd is op grond van artikel 30i lid 1 onder b Algemene wet inzake rijksbelastingen. Als was aangetoond dat de lijfrentepremies niet in aftrek waren gebracht voor de inkomstenbelasting dan zou ook de hoogte van het bedrag dat is opgenomen als negatieve uitgave onderwerp van het geschil moeten zijn. Dat is hier niet geval.

Deze uitspraak laat zien dat deze man wist en ook akkoord was met het feit dat belasting wordt ingehouden op de lijfrente-uitkering. Wat de man niet wist, is dat er dan ook revisierente verschuldigd is. Het kunnen aantonen van het feit dat premies niet in aftrek zijn genomen, is niet alleen van belang voor de verschuldigde revisierente, maar ook voor de hoogte van de aanmerking te nemen negatieve inkomsten. Dat feit leidt weliswaar niet tot een andere uitkomst, maar zorgt wel voor een vollediger beeld.

Het verschuldigd zijn van revisierente wordt vaak als onterecht ervaren. Regelmatig moeten rechters hierover uitspraak doen bij afkoop van een lijfrente. Tot nu toe oordeelt de rechter steeds dat revisierente terecht wordt geheven. Zie ook onze berichten van 19 februari 2018, 14 juni 2017, 6 juni 2017 en 6 maart 2017.

Auteur: Joanna Hildering, hypotheek en levensverzekeringsexpert Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Gelderland, 4 mei 2018; publicatiedatum 16mei 2018

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 30 mei 2018