Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

“In principe-indexering” is niet onvoorwaardelijk

10 april 2018

Pensioenregeling kent ‘in principe’ indexering, maar na raadpleging van actuaris. Hieruit volgt dat de actuaris zal moeten beoordelen of gronden bestaan om een uitzondering te maken op de hoofdregel. Bijvoorbeeld in een situatie waarin indexering vanwege de financiële situatie van het pensioenfonds onverantwoord zou zijn. Er is dus geen  sprake van een onvoorwaardelijk recht op indexering.

Wat was er aan de hand?

In een pensioenregeling was onder het kopje “indexering van pensioenen” opgenomen; “Deze pensioenregeling kent het principe van indexering waarbij de stichting, na de actuaris te hebben geraadpleegd, jaarlijks per 1 januari de ingegane pensioenen alsmede de nog niet ingegane pensioenen van degenen van wie het deelnemerschap in de pensioenregeling is geëindigd, zal herzien, mits de betrokkene op of na 1 januari 1992 deelnemer in de (voorlopige) pensioenregeling is geweest. De herziening vindt in beginsel plaats door de laatstgeldende pensioenbedragen – inclusief eerder verleende toeslagen – in dezelfde mate aan te passen als waarin het geschoonde prijsindexcijfer voor de maand oktober van het voorafgaande jaar zich ontwikkeld heeft ten opzichte van dat cijfer voor de maand oktober van het daaraan voorafgaande jaar. De pensioenen worden in enig jaar maximaal met 3% verhoogd of indien dit minder bedraagt, met het percentage waarmee de salarisschalen bij de werkgever worden verhoogd“.

Een gewezen deelnemer vordert bij de kantonrechter dat sprake is van een onvoorwaardelijke indexatie. De kantonrechter wijst de vordering af. De gewezen deelnemer tekent hoger beroep aan bij het Gerechtshof Den Bosch.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat de indexering moet worden gekwalificeerd als voorwaardelijk. Doorslaggevend is voor het hof dat in de eerste zin van het desbetreffende artikel is opgenomen dat de pensioenregeling ‘het principe’ kent van indexering en vervolgens in die zin is opgenomen ‘na de actuaris te hebben geraadpleegd’. Het hof oordeelt dat ‘principe’ moet worden gelezen als ‘uitgangspunt’, dus behoudens uitzonderingen. Het hof is verder van oordeel dat  niet valt in te zien wat het nut is van het raadplegen van een actuaris, wanneer het zou gaan om een onvoorwaardelijke indexering. Voor het bepalen van de hoogte van de indexering is volgens het hof het raadplegen van een actuaris immers niet nodig. Die hoogte is op eenvoudige wijze vast te stellen. Het geschoonde prijsindexcijfer wordt jaarlijks door het CBS vastgesteld. Het hof kan de zinsnede ‘na raadpleging van de actuaris’ dan ook niet anders opvatten dan dat de actuaris zal moeten beoordelen of gronden bestaan om een uitzondering te maken op de hoofdregel. Bijvoorbeeld in een situatie waarin indexering vanwege de financiële situatie van het pensioenfonds onverantwoord zou zijn. Er zijn dus volgens het hof uitzonderingen op de indexering mogelijk en in dat geval is geen sprake van een onvoorwaardelijk recht op indexering.

Commentaar

Het verrast ons niet dat het hof concludeert dat hier sprake is van een voorwaardelijke indexatie.

De vraag of sprake is van een voorwaardelijke of onvoorwaardelijke toeslagverlening is zowel civieljuridisch al fiscaal relevant. Een toeslag in de zin van de Pensioenwet is een verhoging van:

  • een pensioenrecht;
  • een pensioenaanspraak van een gewezen deelnemer, mits die verhoging bij een kapitaalovereenkomst niet voortvloeit uit behaald beleggingsrendement;
  • een pensioenaanspraak van een deelnemer op grond van een uitkeringsovereenkomst gebaseerd op het middelloonstelsel of gebaseerd op een vastebedragenregeling, mits de verhoging geen verband houdt met een verhoging van de pensioengrondslag, de toename van het in aanmerking te nemen aantal jaren of een wijzging van de pensioenovereenkomst;
  • een pensioenaanspraak van een gepensioneerde ten behoeve van zijn partner.

 

Een onvoorwaardelijke toeslag is vanaf het moment van toekennen pensioen in de zin van de Pensioenwet en moet dus meteen volledig zijn afgefinancierd. Daarom komt een dergelijke onvoorwaardelijke toeslag vrijwel niet voor. Veelal is sprake van de een of andere voorwaardelijkheid; bijvoorbeeld ‘indien en voor zover de middelen beschikbaar zijn’, of ‘indien de werkgever of het bestuur van het pensioenfonds hiertoe besluit’. In deze zaak was de toeslag mede afhankelijk van het oordeel van een actuaris. En dus niet onvoorwaardelijk. Want, zoals het hof terecht stelt, als je een actuaris moet raadplegen, moet je ook wel iets met zijn conclusie kunnen doen.

Fiscaal is het bij een voorwaardelijke toeslag nog van belang of sprake is van een vaste toeslag. Een vaste toeslag is een toeslag die op zich voorwaardelijk is, maar uitsluitend afhankelijk is van de beschikbare financiële middelen en waarvoor geen aanvullen besluit van werkgever of pensioenbestuur noodzakelijk is. Als er voldoende middelen zijn, dan wordt er een toeslag verleend. Een vaste toeslag mag maximaal 3% zijn. Is de toeslag wel mede afhankelijk van een besluit van de werkgever of het pensioenfondsbestuur, dan is geen sprake van een vaste toeslag en mag de toeslag maximaal de loon- of prijsindex zijn. Zie ons nieuwsbericht van 5 maart 2018.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Den Bosch 13 maart 2018.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 10 april 2018.