Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

3% rekenrente bij waardering stamrecht fiscaal niet toegestaan

17 juni 2019

Stamrecht BV waardeert een stamrechtverplichting op basis van een rekenrente van 3%. De rechtbank oordeelt dat Stamrecht BV op basis van de Wet op de inkomstenbelasting 2001  bij de waardering van een stamrechtverplichting ten minste een rekenrente van 4% moet aanhouden.  

Waardering stamrechtverplichting

De heer E bedingt in 2010 voor € 268.032 een ontslagstamrecht bij Stamrecht BV. Het stamrecht omvat een recht op een uitgestelde lijfrente. E bezit alle aandelen in Stamrecht BV. Bij de aangifte Vennootschapsbelasting (Vpb) over het jaar 2010 waardeert Stamrecht BV de stamrechtverplichting op € 272.984. Stamrecht BV berekent de stamrechtverplichting met een actuariële methode waarbij zij een rekenrente van 3% hanteert.

De inspecteur gaat uit van een rekenrente van 4% en stelt de waarde van de stamrechtverplichting op € 229.913.

Rekenrente ten minste 4%

In geschil is of de inspecteur, met toepassing van artikel 3.29 Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001), terecht een rekenrente hanteerde van 4%. Stamrecht BV betoogt dat de inspecteur artikel 3.29 Wet IB 2001 buiten toepassing had moeten laten. Omdat in 2010 de zakelijke rente lager is dan 4% ontstaat er een winst bij waardering tegen 4%  terwijl die niet gemaakt is. Dat is volgens Stamrecht BV in strijd met artikel 104 van de Grondwet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Deze heffing is volgens Stamrecht BV ook in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

Volgens de rechtbank heeft de wetgever bij totstandkoming van artikel 3.29 Wet IB 2001 onderkend dat de in de markt gebruikelijke rekenrente voor de waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen lager kan zijn dan 4%. De wetgever heeft dus voorzien en aanvaard dat de toepassing van een rekenrente van 4% ertoe kan leiden dat een gedeelte van een tegen de waarde in het economisch verkeer aangegane stamrechtverplichting verplicht ten gunste van de winst vrijvalt. Volgens de rechter schakelt artikel 3.29 Wet IB 2001 het goede koopmansgebruik van artikel 3.25 Wet IB 2001 uit. De wetgever heeft doelbewust besloten om de aftrek van de lasten van een stamrechtverplichting, in afwijking van goedkoopmansgebruik, naar latere jaren te verschuiven, aldus de rechter. De rechter mag de innerlijke juistheid of de billijkheid van een wet in formele zin niet beoordelen.

Volgens de rechter is er evenmin sprake van een inbreuk op het eigendomsrecht conform artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM. De rechter vindt dat artikel 3.29 Wet IB 2001 voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar is in de uitoefening. Tevens dient deze wettelijke bepaling een legitiem doel in het algemeen belang. Waardering op basis van de marktrente zou leiden tot een te grote budgettaire derving van de belasting. Naar het oordeel van de rechtbank is de wetgever met het uitvaardigen van de artikel 3.29 Wet IB 2001 niet getreden buiten de hem toekomende ruime beoordelingsmarge en is er geen sprake van een schending van de fair balance op regelniveau. Omdat Stamrecht BV geen stukken heeft overlegd dat de lagere waardering leidt tot een individuele en buitensporige last acht de rechtbank deze niet aanwezig. 

De rechtbank verklaart het beroep van Stamrecht BV ongegrond.

Commentaar

Het uitganspunt bij de bepaling van de fiscale winst is het goed koopmansgebruik. Een van de elementen van het goed koopmansgebruik is dat de ondernemer voorzichtig is bij het bepalen van de winst. Opbrengsten worden pas meegenomen als die gerealiseerd zijn en kosten direct wanneer deze zich voordoen. Op basis van goed koopmansgebruik is een waardering van de stamrechtverplichting op basis van marktrente (i.c. 3%) dus terecht. Maar de wetgever heeft met artikel 3.29  Wet IB 2001 bewust een inbreuk gemaakt op het goed koopmansgebruik. Daarom is Stamrecht BV hier gehouden om direct in het eerste jaar winst te nemen op de stamrechtverplichting. Immers de koopsom voor het stamrecht bedroeg € 268.032 terwijl de fiscale waarde van de verplichting aan het einde van het jaar gesteld moest worden op € 229.913.

Stamrecht BV doet nog een beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM. De rechter verwerpt dit beroep. Het valt op dat de rechter, net als bij andere procedures, een te grote budgettaire derving van de belasting aanmerkt als een legitiem doel.  

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Gelderland, 5 juni 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 14 juni 2019.