Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

30 jaar na scheiding nog beperkte pensioenverdeling volgens Boon/Van Loon. Geen rechtsverwerking.

24 april 2018

Een ex-echtgenote vordert 30 jaar na de echtscheiding alsnog een deel van het pensioen van haar ex-man. Ook tussen gewezen echtgenoten geldt het beginsel van redelijkheid en billijkheid. De gevolgen van het niet weten van de mogelijkheid tot verdeling kunnen niet in zijn geheel op een van beiden worden afgewenteld. Partijen moeten ieder een deel hiervan voor hun rekening nemen.

Wat was er aan de hand?

X (geboren in 1938) en Y (geboren in 1940) trouwden in 1964. Het huwelijk strandde en de echtscheiding werd op 2 januari 1985 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. X bouwde tijdens het huwelijk met Y pensioenrechten op bij het ABP. Deze pensioenrechten zijn nooit verdeeld of verevend. Y maakt in 2015 aanspraak op de helft van het opgebouwde ouderdomspensioen, tot aan de datum van echtscheiding.

De rechtbank Midden-Nederland oordeelde in 2016 dat de pensioenaanspraken die X opbouwde voorafgaande aan 2 januari 1985 aan hem toekomen en dat X - zolang partijen in leven zijn- aan Y een bedrag moet betalen van € 97 bruto per maand, ingaande 1 februari 2015.

Hoger beroep

X stelt in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat onvoldoende is gesteld of gebleken dat er sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor bij hem het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat Y geen aanspraak meer zou maken op verdeling van de pensioenrechten. Y stelt daar tegenover dat beide partijen de boedelverdeling hebben laten liggen.

Daarnaast stelt X dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat geen sprake is van onredelijke benadeling van hem als Y alsnog haar aanspraak op verdeling van pensioenrechten geldend maakt. Y voert daartegen aan dat de rechtbank X tegemoet kwam door te bepalen dat hij  niet een grote som ineens hoefde te betalen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden; geen rechtsverwerking

In het hoger beroep constateert het gerechtshof dat het er om gaat of X een gedeelte van zijn ouderdomspensioen aan Y moet betalen. En als dat het geval is, vanaf welke datum dat moet gebeuren en of het een bedrag ineens moet zijn of een uitkering per maand.

Ten tijde van de scheiding in 1985 was de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS) nog niet van toepassing. Die wet trad pas op 1 mei 1995 in werking. Op grond van de WVPS moet het ouderdomspensioen dat de pensioengerechtigde tijdens het huwelijk heeft opgebouwd bij helfte worden verdeeld. Tot 1 mei 1995 moesten de tot de datum van ontbinding van het huwelijk opgebouwde pensioenen worden verrekend met inachtneming van de uitgangspunten die de Hoge Raad formuleerd in het Boon/Van Loon-arrest. Deze verdeling is anders dan onder de WVPS want het pensioen dat is opgebouwd voor het huwelijk telt ook mee voor de berekening alsmede het tot de datum van ontbinding van het huwelijk opgebouwde partnerpensioen.

Naar het oordeel van het hof kan van rechtsverwerking slechts sprake zijn wanneer de gerechtigde zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid met het te gelde  maken van het betrokken recht onverenigbaar is. Enkel tijdsverloop of enkel stilzitten is daarvoor onvoldoende. Het is volgens het hof juist dat Y 30 jaar heeft gewacht voordat zij een vordering tot verdeling van de pensioenrechten heeft ingesteld. Maar hierdoor is niet bij X het gerechtvaarigde vertrouwen gewekt dat Y haar aanspraak niet meer geldend zou maken en ook is de positie van X hierdoor niet onredelijk benadeeld of verzwaard. Daarom kan dit enkel stilzitten niet leiden tot een geslaagd beroep op rechtsverwerking.

Gevolgen onwetendheid niet volledig af te wentelen op één

Het hof stelt vast dat beide partijen nooit hebben nagedacht over verdeling van de pensioenrechten en van de mogelijkheid daartoe niet hebben geweten. Y kwam hier pas achter toen haar schoondochter daar een opmerking over maakte. X bestrijdt dit niet. De vraag ligt voor wiens rekening de gevolgen van deze onwetendheid komen. Volgens het hof geldt ook tussen gewezen echtgenoten het beginsel van redelijkheid en billijkheid. Het hof is van oordeel dat de gevolgen van het niet-weten niet in zijn geheel op X of op Y kunnen worden afgewenteld. Partijen zullen ieder een deel hiervan voor hun rekening moeten nemen. Het hof bekrachtigt de conclusie van de rechtbank dat geen sprake is van een onredelijke benadeling of verzwaring van de positie van X als Y alsnog haar aanspraak op verdeling van de pensoenrechten geldend maakt. Hetgeen neerkomt op een uitkering van € 97 per maand vanaf 1 februari 2015

Commentaar

Deze uitspraak is een vervolg op de zaak waarover wij schreven in ons bericht van 7 augustus 2013. Dit bewijst maar weer eens dat pensioenen en echtscheiding een ingewikkelde en bij de afwikkeling van een scheiding vaak onderbelichte zaak is. Daarom is het goed dat minister Koolmees naar aanleiding van de evaluatie van de WVPS een aantal verbeteringen aangekondigde. Zie ons bericht hierover van 23 maart 2018.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 april 2018

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 23 april 2018.