Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Aanvullend partnerpensioenregeling behoort niet tot de arbeidsvoorwaarden; WGBL dus niet van toepassing

6 april 2018

Het College voor de rechten van de mens concludeert dat een aanvullend partnerpensioen een voorziening is waarvoor een werknemer individueel, vrijwillig en geheel voor eigen rekening kan kiezen en daarom niet tot de arbeidsvoorwaarden behoort. Het College is dan ook niet bevoegd een oordeel te geven over het onderscheid naar leeftijd dat bij deze regeling wordt gemaakt. De WGBL is niet van toepassing.

Feiten

X is geboren in 1958. Hij is deelnemer in het ondernemingspensioenfonds van zijn werkgever en bouwt ouderdoms- en nabestaandenpensioen op. Het pensioenreglement biedt de mogelijkheid om zich te verzekeren voor een aanvulling op het partnerpensioen. X maakt van deze mogelijkheid gebruik. Tot 1 april 2017 was de premie voor dit aanvullend partnerpensioen leeftijdsonafhankelijk en bedroeg 1,5% van de pensioengrondslag. Vanaf die datum is sprake van een premie die afhankelijk is van de leeftijd. Voor deelnemers die op 1 januari jonger zijn dan 30 bedraagt hij 0,8% van de pensioengrondslag. Voor deelnemer tussen 30 en 39 is dit 1,1%, tussen 40 en 49 1,5% en voor deelnemers ouder dan 49 bedraagt de premie 2,5% van de pensioengrondslag.

Leeftijdsdiscriminatie?

X vraagt het College voor de rechten van de mens (v/h de Commissie gelijke behandeling) om te beoordelen of het pensioenfonds jegens hem verboden onderscheid op grond van leeftijd heeft gemaakt door de premie voor zijn aanvullend partnerpensioen vanaf 1 april 2017 op basis van een leeftijdsafhankelijk staffel te berekenen. Ook vroeg X om te beoordelen of zijn werkgever jegens hem verboden onderscheid heeft gemaakt.

College voor de rechten van de mens verklaart zich niet bevoegd

In de zaak tegen de werkgever concludeert het College dat een werkgever bij arbeidsvoorwaarden geen onderscheid mag maken op grond van leeftijd. Het College stelt vast dat het aanvullend partnerpensioen niet wordt aangeboden door de werkgever, maar door het pensioenfonds. De werkgever heeft geen enkele invloed gehad op het besluit van het pensioenfonds om de premies voor het aanvullend partnerpensioen te wijzigen. Het aanvullend partnerpensioen vindt weliswaar zijn basis in de cao, maar het is een voorziening waarvoor een werknemer individueel, vrijwillig en geheel voor eigen rekening kan kiezen. Er is daarom volgens het College geen sprake van een arbeidsvoorwaarde en het College is dan ook niet bevoegd om een oordeel te geven over het onderscheid op grond van leeftijd dat per 1 april 2017 bij de aanvullende partnerpensioenregeling wordt gemaakt.

In de zaak tegen het pensioenfonds komt het College tot eenzelfde conclusie en verklaart zich ook hier onbevoegd om een oordeel te geven. Ten overvloede merkt het College hierbij op dat het handelen van het pensioenfonds bij het aanbieden van de aanvullende partnerpensioenregeling wel aangemerkt kan worden als het aanbieden van een dienst in het zakelijk verkeer. Maar de WGBL ziet niet op het aanbieden van goederen en diensten en is dus niet van toepassing.

Commentaar

Een vrijwillige aanvullende pensioenregeling behoort volgens het CvRM niet tot de arbeidsvoorwaarden. Ter onderbouwing daarvan verwijst het College naar het oordeel van de CGB van 28 augustus 2007 (2007-159). Het is echter maar zeer de vraag of het daar behandelde geval volledig vergelijkbaar is met het onderhavige.

Er was in dat oordeel sprake van een werknemer die deelnam aan de levensloopregeling van zijn werkgever. De uitvoerder van deze levensloopregeling bood de deelnemers de mogelijkheid als extraatje een overlijdensrisicoverzekering af te sluiten. De premie van deze verzekering was voor mannen hoger dan voor vrouwen. De werknemer is van mening dat dit verboden onderscheid op grond van geslacht oplevert. De Commissie stelt vast dat de overlijdensrisicoverzekering niet door de werkgever, maar door een verzekeringsmaatschappij als extraatje is aangeboden en daarom niet behoort tot de arbeidsvoorwaarden, ook al verloopt de inning van de premie via de werkgever. De Commissie is dan ook van oordeel dat de werknemer niet ontvankelijk is in zijn verzoek jegens de werkgever.

In dit geval is echter sprake van een op de cao gebaseerde aanvullende partnerpensioenregeling die door het ondernemingspensioenfonds wordt uitgevoerd. De aanvullende partnerpensioenregeling is onderdeel van het pensioenreglement. De conclusie dat geen sprake is van een arbeidsvoorwaarde omdat een werknemer een individuele vrijwillige keuze kan maken en de kosten voor zijn rekening zijn, is redelijk kort door de bocht. Vergelijk artikel 10 van de Wet op de loonbelasting dat al hetgeen uit een dienstbetrekking of vroegere dienstbetrekking wordt genoten als loon bestempeld. De voorwaarde voor een deelnemer om aan de aanvullende partnerpensioenregeling deel te nemen, is dat hij deelnemer is in de basisregeling. En dat die onderdeel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarde lijkt ons niet ter discussie te staan. De aanvullende partnerpensioenregeling vindt zijn basis in de pensioenregeling en dus in de arbeidsvoorwaarden.

Wij vragen ons dan ook af welke reikwijdte dit oordeel van het CRvM heeft. Er zijn heel veel pensioenregelingen met aanvullende vrijwillige modules op grond waarvan deelnemers vrijwillig en voor eigen rekening kunnen bijsparen. Zowel voor het ouderdomspensioen als voor het partnerpensioen. Betekent dit oordeel dat een vrijwillige bijspaarmodule bij een beschikbare premiemodule niet gebaseerd hoeft te zijn op de staffels? In dat geval kan sprake zijn van verschillende pensioenresultaten op de pensioendatum voor deelnemers van verschillende leeftijden die dezelfde keuzes maken. Dat lijkt op gespannen voet te staan met de WGBL. Ongelijke behandeling op basis van een vrijwillige keuze mag, mits deelnemers die dezelfde keuze maken ook hetzelfde pensioenresultaat bereiken. En dat is hier niet het geval.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

College voor de rechten van de mens 2018-27 en 2018-28.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 6 april 2018.