Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

ABP maakt geen onderscheid naar leeftijd bij overgangsregeling

13 augustus 2018

Het ABP kende een overgangsregeling in verband met het afschaffen van de VUT in 2006. Deze voorzag er in dat gewezen werknemers met recht op een ontslaguitkering pensioen opbouwden tot hun 62-jarige leeftijd. Het College voor de Rechten van de Mens zag daarin verboden leeftijdsonderscheid. Het Gerechtshof Amsterdam niet, omdat er geen sprake is van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld.

De ABP-(overgangs)regeling

Naar aanleiding van de Wet Vut, Prepensioen en Levensloop (wet VPL), waarmee de fiscale facilitering voor VUT- en prepensioenregelingen werd afgeschaft, wijzigde het ABP haar pensioenregeling. Voor deelnemers geboren vóór 1 januari 1950 trof het ABP een overgangsregeling. Daardoor blijft voor de meeste van deze ambtenaren het pensioenresultaat op basis van de oude regeling behouden.

Op basis van het pensioenreglement zoals dat luidde van 1 april 1997 tot 31 december 2005, hadden gewezen werknemers tot de leeftijd van 62 jaar recht op voorgezette pensioenopbouw indien en voor zover zij recht hadden op een ontslag- of werkloosheidsuitkering. De gewezen werknemers met recht op een ontslaguitkering hadden het recht om op 62-jarige leeftijd hun tot 62-jarige leeftijd opgebouwde aanspraken op pensioen en flexibel pensioen te laten ingaan. In het pensioenreglement zoals dat vanaf 1 januari 2006 gold is de regeling voor de voorgezette pensioenopbouw ongewijzigd van kracht gebleven, zonder onderscheid tussen gewezen deelnemers die vóór 1 januari 2006 al recht hadden op een ontslaguitkering en werknemers die pas na 2005 uit dienst traden en recht hadden op een ontslaguitkering. Ook was er op dit onderdeel geen verschil tussen gewezen werknemers die vóór of ná 1 januari 1950 waren geboren. 

Per 1 januari 2015 wijzigde ABP het pensioenreglement en schrapt de leeftijdsgrens van 62-jaar voor de voortgezette opbouw van gewezen werknemers met recht op een ontslaguitkering. Vanaf die datum konden deze gewezen werknemers de pensioenopbouw dus voortzetten tot de pensioendatum van 65 jaar.

Een in 1951 geboren gewezen werknemer legde de regeling zoals die gold van 1 januari 2006 tot en met 31 december 2014 voor aan het College voor de Rechten van de Mens (v/h Commissie gelijke behandeling, hierna CvRM) omdat volgens hem sprake was van verboden leeftijdsonderscheid. Partijen legden vervolgens het oordeel van de CvRM voor aan het Gerechtshof Amsterdam.

CvRM: leeftijdsgrens leidt tot verboden onderscheid

Het CvRM komt in haar oordeel 2016-25 van 25 maart 2016 tot de conclusie dat het vast staat dat de gewezen werknemer in de periode 1 november 2013 tot 1 januari 2015 geen pensioen opbouwde om de enkele reden dat hij op 1 november 2013 al 62 jaar was. Wachtgeldgerechtigden die in deze periode nog geen 62 jaar waren en die overigens in dezelfde omstandigheden verkeerden, bouwden wel pensioen op. Het ABP maakt daarmee volgens het CvRM direct onderscheid op grond van leeftijd ten nadele van deze gewezen deelnemer. Hiervoor is geen objectieve rechtvaardigingsgrond aldus het CvRM. 

De regeling beoogde het ongedaan maken van het voordeel dat deelnemers met een wachtgelduitkering van 62 jaar genoten ten opzichte van deelnemers die vanaf 62 jaar gebruik maakten van de (vroeg)pensioenregeling. Dat doel voldoet volgens het CvRM aan een werkelijke behoefte van het ABP en heeft geen discriminerend oogmerk. Het CvRM vindt dit een legitiem doel. Het middel om dit doel te bereiken is volgens het CvRM echter niet passend. Voor personen met wachtgeld die geboren zijn op of na 1 januari 1950, zoals de betreffende gewezen deelnemer, geldt dat zij geen recht meer hadden op een vroegpensioenuitkering. Zij hadden dus ook geen recht op een verhoging van hun ouderdomspensioen met vroegpensioenaanspraken, behoudens de tot 1 januari 2006 opgebouwde rechten. Deze groep personen is volgens het CvRM dan ook niet in het voordeel in vergelijking met de groep personen, geboren voor 1 januari 1950, die recht hadden op een vroegpensioenuitkering. Daarom is het CvRM van oordeel dat het middel niet passend is voor de groep van personen, geboren op en na 1 januari 1950.
Het ABP heeft volgens het CvRM dus geen objectieve rechtvaardigingsgrond voor het gemaakte leeftijdsonderscheid. Het ABP maak te dan ook jegens de betreffende gewezen deelnemer verboden onderscheid op grond van leeftijd door hem van 1 november 2013 tot 1 januari 2015 uit te sluiten van pensioenopbouw.

Hof Amsterdam: leeftijdsgrens leidt niet tot verboden onderscheid

Het hof beantwoordt eerst de vraag of de beperking van de pensioenopbouw voor gewezen deelnemers met een ontslaguitkering tot 62 jaar verboden direct onderscheid naar leeftijd oplevert omdat een persoon op grond van leeftijd op een andere wijze wordt behandeld dan een ander in een vergelijkbare situatie. Het CvRM stelde vast dat een gewezen werknemer met een ontslaguitkering na het bereiken van zijn 62-jarige leeftijd geen pensioen meer opbouwt, terwijl een jongere gewezen werknemer met een ontslaguitkering die na 1 januari 2015 62 wordt wel pensioen opbouwt. 

Het hof oordeelt dat het CvRM, dat vaststelde dat op basis hiervan sprake is van direct onderscheid naar leeftijd, daarbij een onjuiste maatstaf hanteert. Volgens het pensioenreglement in de jaren 2012-2014 hadden alle gewezen deelnemers met een ontslaguitkering recht op voortgezette pensioenopbouw tot de leeftijd van 62 jaar. Er was volgens het hof dus geen sprake van het ongelijk behandelen van gelijke gevallen. Het hof geeft aan dat het feit dat de regeling op 1 januari 2015 is gewijzigd er niet toe kan leiden dat er met terugwerkende kracht in de jaren 2012 tot en met 2014 sprake is van direct onderscheid naar leeftijd. Gewezen deelnemers met een ontslaguitkering kunnen daarnaast niet gelijk worden gesteld met actieve deelnemers.

Het hof is dan ook van oordeel dat slechts sprake is van één groep van na 1949 geboren onvrijwillig werkloze werknemers, die recht heeft op een ontslag- of werkloosheidsuitkering, met voortgezette pensioenopbouw tot hun 62-jarige leeftijd. Die eindleeftijd levert volgens het hof geen direct leeftijdsonderscheid op omdat alle gewezen werknemers van deze groep op het moment dat zij 62 worden geen recht meer hebben op voortgezette pensioenopbouw en op die datum gebruik kunnen maken van vervroegde ingang van hun opgebouwde basispensioen- en vroegpensioenrechten.

Het hof concludeert dat het ABP geen verboden leeftijdsonderscheid heeft gemaakt door toepassing van een leeftijdsgrens in het pensioenreglement wat betreft de pensioenopbouw voor gewezen werknemers met een ontslag- of werkloosheidsuitkering.

Commentaar

De vraag of sprake is van leeftijdsonderscheid en zo ja, van verboden onderscheid, komt vaak op en is lastig te beantwoorden. Vaak is het zo dat als je maar lang genoeg kijkt en maar diep genoeg graaft er altijd wel onderscheid naar leeftijd is. Maar voorafgaand aan de vraag of er sprake is van verboden onderscheid is de vraag aan de orde of wel sprake is van gelijke gevallen. Ongelijke behandeling van gelijke gevallen is niet toegestaan. Ongelijke behandeling van ongelijke gevallen is wél toegestaan naar de mate van ongelijkheid.

In dit geval was er grosso mode sprake van drie regelingen in de tijd. Tot 1 januari 2006 was sprake van een voor iedere ambtenaar geldende pensioenregeling, inclusief een vroegpensioenregeling. Van 1 januari 2006 tot 31 december 2014 gold er voor elke gewezen werknemer met een ontslagregeling een overgangsregeling op grond waarvan zij tot hun 62ste (de datum waarop hun vroegpensioenregeling inging) hun pensioenopbouw konden voortzetten. Binnen deze groep was er dus geen onderscheid naar leeftijd. 
Voor actieve werknemers gold dat zij pensioen opbouwden tot de pensioendatum van de gewijzigde basisregeling die inmiddels 65 jaar bedroeg. Binnen deze groep is er dus evenmin onderscheid naar leeftijd.
Vanaf 1 januari 2015 gold een regeling op grond waarvan alle gewezen werknemers met een ontslagregeling hun pensioenopbouw konden voortzetten tot de ingangsdatum van het basispensioen. Dit omdat er vanaf dat jaar geen sprake meer was van gewezen werknemers die op grond van de overgangsregeling nog recht hadden op vroegpensioen. Op 1 januari 2015 waren alle gewezen werknemers die geboren waren voor 1 januari 1950 immers 65 geworden. Ook hier is er vanaf 1 januari 2015 dus geen sprake van onderscheid naar leeftijd binnen deze groep

Volgens de klagende gewezen deelnemer en het CvRM was op basis van de opeenvolgende regelingen sprake van verboden leeftijdsonderscheid. Volgens het hof niet. Want voor we aan de vraag toekomen of sprake is van ongelijke behandeling en/of een objectieve rechtvaardigingsgrond, moeten we eerst vaststellen of sprake is van gelijke gevallen. En dat was hier dus in de onderscheidenlijke tijdvakken en voor de daarin gedefinieerde groepen, niet het geval. Alle gewezen werknemers met een ontslagregeling werden zowel in de regeling 2006-2014 als in de regeling vanaf 2015 gelijk behandeld. Hetzelfde geldt voor alle actieve deelnemers in die perioden. Gewezen werknemers zijn echter niet gelijk aan actieve deelnemers. Dus komen we aan de vraag of er sprake is van verboden onderscheid dus niet toe.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis
Bron: Gerechtshof Amsterdam 26 juni 2018.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 8 augustus 2018