Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

ABP-pensioen geen 70% van het laatstgenoten loon

26 juni 2018

Een ambtenaar ontvangt een pensioen van het ABP. Dit pensioen is - ondanks meer dan 40 dienstjaren - lager dan 70% van zijn laatstgenoten loon. De ambtenaar eist een hoger pensioen omdat het ABP hem onvolledig informeerde. Het Gerechtshof wijst de eis van deze ambtenaar af. 

ABP-pensioen

De heer A was gedurende zijn loopbaan van 1963 tot 2005 voornamelijk in overheidsdienst. Behalve in de periode van 1978 tot en met 1981, toen was hij zelfstandige ondernemer. Tijdens de periode dat hij in dienst was van de overheid nam hij deel in de pensioenregeling die wordt uitgevoerd door het ABP. 

Tot 2004 werd het pensioen opgebouwd volgens een eindloonregeling. Daarna volgens een geïndexeerde middelloonregeling. Vanaf 2005 tot 2010 nam A deel aan de zogenaamde FLO-FPU regeling. In die periode werd zijn pensioen verder opgebouwd. Eind 2010 ging A met pensioen. Het ouderdomspensioen tezamen met de AOW-uitkering bedroeg € 51.756 per jaar. Dat is circa 55% van zijn laatstverdiende salaris. 

70% van het laatstgenoten salaris

A ontving van ABP pensioenoverzichten. In het  ontvangen pensioenoverzicht 1994 stond onder meer:
“(…) De gedachte achter de Abp-regeling is: een “redelijk” pensioen (Abp-ouderdomspensioen met AOW erbij) bedraagt 70% van het laatstverdiende loon. Daarvoor moet u in elk geval 40 volle dienstjaren maken. (…)  

Uit de gegevens hiernaast kan worden afgeleid dat uw ouderdomspensioen  
- als gehuwde: ongeveer 62% 
- als ongehuwde: ongeveer 61% 
van uw laatstverdiende loon bedraagt. U hebt dus mogelijk een pensioentekort. Het Abp wil u hierop attenderen. Hier is uitgegaan van Abp-ouderdomspensioen met AOW erbij. (…) U kunt uw pensioentekort aanvullen door u bij te verzekeren. (…)” 

In latere pensioenoverzichten was het percentage pensioen gerelateerd aan het laatstgenoten salaris veel lager dan de hiervoor genoemde 62/61%.

A vindt dat het ABP hem niet tijdig, juist en volledig heeft geïnformeerd over de toepassing van de zogenaamde pensioenknip en de gevolgen daarvan voor het aantal pensioenjaren. A verwachtte op grond van de aan hem verstrekte pensioenoverzichten dat hij bij 40 pensioenjaren een redelijk pensioen zou hebben opgebouwd: 70% van het laatst verdiende salaris. Omdat A meer dan 40 dienstjaren heeft vordert hij dat het ABP zijn ouderdomspensioen (inclusief AOW-uitkering) verhoogt tot tenminste 70% van zijn laatstgenoten loon.

Onjuiste informatie ABP?

Volgens de rechter is het pensioenreglement bepalend voor de vraag op welke pensioenuitkering A jegens het ABP aanspraak kan maken. Het  ABP verstrekte met de pensioenoverzichten informatie aan A over de hoogte van zijn te verwachten bruto-pensioenuitkeringen. In de pensioenoverzichten staat geen toezegging. De pensioenoverzichten gaan uit van de op dat moment geldende pensioenregeling en de op dat moment geldende situatie van A. Deze overzichten  geven globaal aan wat het effect van veranderingen in privé- of werksituatie is op het pensioen. Niet gesteld noch gebleken is dat ABP het reglement onjuist zou hebben toegepast, aldus de rechter.

In de pensioenoverzichten die het ABP  verstrekte, staat steeds een lager percentage dan 70% van het laatstgenoten salaris. Verder wijst het ABP er nog op dat er mogelijk een pensioentekort is. De in de pensioenoverzichten vermelde nominale pensioenen zijn correct berekend. Hierbij is door het APB rekening gehouden met de pensioenknip die is ontstaan door de tijdelijke onderbreking van het dienstverband met de overheid. Volgens de rechter had A op basis van deze informatie moeten realiseren dat een opbouw van het pensioen tot 70% van zijn salaris in zijn situatie niet mogelijk was. 
Als hij hier twijfels over had, had hij bij het ABP kunnen informeren waardoor dat komt.

Het ABP heeft A dus niet onjuist geïnformeerd, aldus de rechter. Het beroep van A wordt verworpen en hij wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.  

Commentaar

Omdat A meer dan 40 dienstjaren maakte, meende hij dat hij een pensioen opbouwde dat ten minste 70% van zijn laatstgenoten loon zou bedragen. Maar door de onderbreking van zijn dienstverband vanwege zijn zelfstandig ondernemerschap wordt dit percentage niet gehaald. Door de onderbreking van het dienstverband ontstaat een pensioenknip. Beter is om dit verband te spreken van een diensttijdknip. Door deze diensttijdknip werkt de eindloonregeling niet meer door tot de aanvang van zijn dienstbetrekking in 1963 maar gaat deze slechts terug tot hervatting van zijn dienstbetrekking in 1982. Salarisstijgingen na die datum werken dus niet meer door over de totale diensttijd. Hierdoor ontstond een flink gat in de opbouw van het pensioen van A. Daarop attendeerde het ABP hem zelfs.

A vond dat het ABP hem expliciet over de nadelige gevolgen van de diensttijdknip had moeten informeren. De rechter vond dat het APB voldoende aan zijn informatieplicht had gedaan door in de pensioenoverzichten de lagere pensioenen te vermelden. Het is aan A om desgewenst verder te onderzoeken waardoor dat kwam. 

Omdat tegenwoordig eindloonregelingen nog maar nauwelijks voorkomen zal een diensttijdknip zoals hier van toepassing is zich niet vaak meer voordoen. Ook een opbouw van 70% van het laatstgenoten salaris is tegenwoordig maar voor weinig werknemers weggelegd. 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 19 juni 2018

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 25 juni 2018.