Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Afkoop lijfrente na verstrijken wettelijke termijn

Afkoop lijfrente na verstrijken wettelijke termijn

8 februari 2019

Een lijfrenteverzekering expireerde op 1 juli 2013. In 2014 heeft de verzekeringnemer nog geen lijfrente aangekocht. De inspecteur neemt de waarde van de lijfrenteverzkering op in het belastbaarinkomen en heft 20% revisierente. Het Hof is het hier mee eens.

Expiratie lijfrenteverzekering

B sluit op 1 juli 1997 een lijfrenteverzekering bij Y. De contractueel overeengekomen expiratiedatum van de verzekering is 1 juli 2013. Y deelt B in een brief van 12 april 2013 mee dat de einddatum van de lijfrenteverzekering in zicht is en dat B voor het lijfrentekapitaal een lijfrente moet aankopen dan wel kan afkopen. Y stuurt B ook een brochure waarin de mogelijkheden met betrekking tot de lijfrenteverzekering zijn beschreven. Op 31 december 2014 heeft B aan Y nog niet laten weten of hij kiest voor aankoop van een lijfrente of afkoop.

In de aanslag inkomstenbelasting 2014 verhoogt de belastinginspecteur het inkomen uit werk en woning van B met waarde van de lijfrenteverzekering. Tevens brengt hij revisierente in rekening van 20 % van de waarde van de verzekering. B maakt bezwaar en tekent beroep aan.

Wettelijke termijn

Het gerechtshof stelt B in het ongelijk.

Bij een lijfrenteverzekering waarbij de omvang van die termijnen nog moet worden vastgesteld gelden termijnen waarbinnen de lijfrente uiterlijk moet zijn aangekocht. Als de verzekering expireert bij leven is de uiterste datum waarop een lijfrente moet worden aangekocht 31 december van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar van de contractueel overeengekomen datum. Deze wettelijke termijn kan de inspecteur verlengen wanneer door bijzondere omstandigheden de omvang van de termijnen niet eerder is vastgesteld of omzetting nog niet heeft plaatsgevonden.

De contractuele einddatum van de lijfrenteverzekering van B was 1 juli 2013. Dat houdt in dat de uiterste datum waarop B een lijfrente had moeten aankopen 31 december 2014 is. Aangezien B op deze datum nog geen lijfrente heeft aangekocht wordt op grond van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (artikel 3.133) geacht dat de lijfrente is afgekocht.

B wijst er op dat Y hem niet had geïnformeerd over de wettelijke termijn en de consequenties van het overschrijden van die termijn. Het Hof constateert dat Y B twee keer informeerde over de expiratiedatum van de lijfrenteverzekering en de consequenties hiervan. Y hoefde van het Hof B niet te informeren over de wettelijke termijn. Ook de overige door B aangebrachte omstandigheden achtte het Hof niet bijzonder om de wettelijke termijn te verlengen. De fictieve afkoop in 2014 is volgens het Hof terecht.

De revisierente is gekoppeld aan de afkoop van de lijfrente. Nu de lijfrente geacht wordt te zijn afgekocht is B ook revisierente verschuldigd.

Commentaar

In de praktijk komt het regelmatig voor dat verzekeringnemers niet op tijd een lijfrente aankopen. Dit ondanks dat verzekeraars hen erop wijzen dat de uiterste termijn van aankoop voor een lijfrente verstrijkt. De fiscale consequenties van het verstrijken van die uiterste datum zijn vervelend voor de verzekeringnemer. Want in dat geval wordt de waarde van de lijfrenteverzekering opgeteld bij hun belastbaar inkomen uit werk en woning en als zodanig wordt die waarde progressief belast. Daarnaast zijn ze ook nog 20% revisierente verschuldigd over de waarde van de lijfrenteverzekering.

De wettelijke termijn kan door de inspecteur worden verlengd op basis van bijzondere omstandigheden. Uit deze uitspraak blijkt dat zeker niet alle omstandigheden als “bijzonder” worden aangemerkt.

In het geval dat de uiterste termijn verstrijkt moet de verzekeraar dit rensigneren aan de belastingdienst. De verzekeraar hoeft in dat specifieke geval geen loonheffing in te houden. De belastingdienst kan in het jaar van de fictieve afkoop de waarde van de lijfrenteverzekering toevoegen aan het belastbaar inkomen uit werk en woning van de verzekeringnemer.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Den Haag, 16 januari 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 8 februari 2019.