Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Afkoopsom VUT verlaagt ontslagvergoeding

14 november 2018

Een werkneemster heeft op grond van het sociaal plan recht op een vergoeding bij ontslag. Volgens de cao moet een eerder ontvangen VUT-afkoopsom worden verrekend met de ontslagvergoeding. De werkneemster bestrijdt de korting van de ontslagvergoeding. De rechtbank staat cumulatie van cao en sociaal plan toe. 

Korting ontslagvergoeding met koopsom VUT

Mevrouw Y is in 1957 geboren. Zij was vanaf april 1973 in dienst van Achmea en rechtsvoorgangers (A). Tot 30 april 2010 was op haar de cao Zorgverzekeraars van toepassing. In deze cao staat een overgangsbepaling ten aanzien van de VUT-regeling. In het kader van de harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden van A is de cao later enkele keren gewijzigd. De overgangsbepaling VUT is hierbij steeds overgenomen. In de cao die geldt voor de periode 2017/2018 staat hierover:

Als jij bent geboren op of na 1 januari 1950 en je had bij Agis aanspraak op de ‘Overgangsregeling VUT’ uit de cao voor de Zorgverzekeraars, dan zijn jouw aanspraken op de VUT-regeling vervallen. Je hebt in 2010 een eenmalig afkoopbedrag ter compensatie ontvangen. (…). Als jij van Achmea een ontslagvergoeding ontvangt, dan heeft Achmea het recht om een deel van het VUT-afkoopbedrag te verrekenen met de ontslagvergoeding. We doen dit als de ontslagvergoeding (het aantal maandsalarissen vanaf de datum uit dienst) overlapt met de periode waarover de afkoop VUT in 2010 is berekend.

Op verzoek van Y heeft A in 2010 aan haar een VUT-afkoopbedrag van € 130.229,-- bruto uitbetaald. De contante waarde van de afgekochte VUT zag op de periode van 1 januari 2015 tot 13 juli 2019. 

Cumulatie sociaal plan en cao 

Bij de reorganisatie van A in 2017 blijkt Y niet herplaatsbaar. Haar dienstbetrekking met A is op 31 mei 2018 beëindigd. In het sociaal plan van A is opgenomen dat niet-herplaatsbare werknemers recht hebben op een ontslagvergoeding. Aan de hand van de rekenregels in het sociaal plan werd deze voor Y bepaald op € 247.800. A verminderde de ontslagvergoeding met € 33.000 vanwege de in 2001 door Y ontvangen VUT-afkoopsom. 

Y bestrijdt de korting van de ontslagvergoeding met een deel van de afkoopsom van de VUT. Volgens haar geeft de specifieke regeling van het sociaal plan A niet de bevoegdheid om deze te korten op basis van een bepaling in de algemene cao; de cao is volgens Y nietig op grond van de Wet op de collectieve arbeidsovereenkomst. En als het verrekenbeding van de cao wel zou gelden, is verrekening van het VUT-afkoopbedrag met de ontslagvergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Want wegens de in 2009/2010 onvoorziene omstandigheid dat de AOW-leeftijd zou worden verhoogd is ongewijzigde instandhouding van het verrekenbeding in strijd met het goed werkgeverschap, aldus Y. 

Volgens A is de cao-bepaling niet in strijd met het sociaal plan. De cao heeft zijn werking niet verloren doordat voor de onderhavige reorganisatie het sociaal plan is afgesloten. Dat de cao en het sociaal plan naast elkaar gelden, volgt ook uit het feit dat beide regelcomplexen op verschillende plaatsen naar elkaar verwijzen. A is van mening dat het verrekenbeding uit de cao niet onaanvaardbaar of in strijd met goed werkgeverschap is omdat de regeling voorziet op het voorkomen van cumulatie van VUT-afkoop en ontslagvergoeding. 

De rechter stelt Y in het ongelijk.

Bedoeling sociaal plan en cao is anticumulatie

Volgens de rechtbank zijn is bij de beantwoording van de vraag of cumulatie van regels is toegestaan de tekst van de regels en de systematiek van het geheel van de regels doorslaggevend. Naar algemeen wordt aangenomen geldt hierbij het uitgangspunt dat elke rechtsnorm in beginsel toepasselijk is. Cumulatie (d.i. het naast elkaar toepassen van beide regels) staat dus voorop. Pas als cumulatie leidt tot een logisch of praktisch onaanvaardbaar resultaat, kan de ene regel de andere verdringen en is sprake van exclusieve werking van een van beide regels. Volgens de rechter brengt de systematiek van beide cao’s met zich dat ze ertoe strekken elkaar aan te vullen. Dit volgt onder meer uit de omstandigheid dat beide cao’s onderling naar elkaar verwijzen. Aan het verrekenbeding van de algemene cao ligt een anticumulatie-gedachte ten grondslag. “De strekking ervan is te voorkómen dat een ‘overlap’ ontstaat van de periode waarop de afgekochte VUT-voorziening betrekking zou hebben, met die tijdens welke de ontslagvergoeding compensatie voor inkomensterugval bedoeld te bieden. Dat in de ‘overlap’ zou worden geprofiteerd van beide inkomensvoorzieningen is kennelijk - en begrijpelijk - als onwenselijk beschouwd.” 

Gevolgen verhoging AOW-leeftijd voor rekening werknemer

De kantonrechter ziet in de wettelijke verhoging van de AOW-leeftijd geen reden om het verrekenbeding terzijde te stellen. De inspanning van A hoeft er slechts op gericht te zijn om de negatieve gevolgen die de reorganisatie voor de getroffen werknemers heeft, te verzachten. De verplichting van een gewezen werkgever strekt er niet toe dat deze voorziet in een inkomen voor een werknemer totdat deze de AOW-leeftijd bereikt. Volgens de rechter komt de verhoging van de AOW-leeftijd dan ook, gezien de in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen, voor rekening van Y Het beroep van A op het verrekenbeding is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar, omdat de anticumulatie-strekking ervan evenzeer geldt in de situatie dat Y op haar 65e AOW-gerechtigd zou zijn.  

Commentaar

De uitspraak is niet verrassend. Mevrouw Y vond dat haar ontslagvergoeding niet mocht worden gekort met de eerder ontvangen afkoopsom voor VUT omdat deze korting niet specifiek in het sociaal plan was opgenomen. Maar volgens de rechter hoeft dat ook niet. De regels uit het sociaal plan en de cao gelden naast elkaar voor zover ze elkaar niet uitsluiten. 

Tevens vindt de rechter dat bij bestaande tegemoetkomingen geen rekening hoeft te worden gehouden met de (onvoorziene) verhoging van de AOW-leeftijd. De consequenties van een dergelijke verhoging zijn voor rekening van de werknemer. Voor de praktijk is dat een goed werkbare oplossing. Het houdt immers in dat een reeds getroffen tegemoetkoming niet hoeft te worden aangepast aan latere verhoging van de AOW-leeftijd. 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Midden-Nederland, 8 november 2018 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 14 november 2018.