Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Afkoopwaarde kapitaalverzekering bij leven nihil i.v.m. gezondheid verzekerde

Afkoopwaarde kapitaalverzekering bij leven nihil i.v.m. gezondheid verzekerde

25 januari 2021

Verzekeraar weigerde terecht afkoop van een kapitaalverzekering bij leven omdat uit de opgevraagde medische gegevens blijkt dat de gezondheidstoestand van de verzekerde dusdanig is dat verwacht kon worden dat hij voor de einddatum overlijdt. De afkoopwaarde is daardoor nihil.

Kapitaalverzekering bij leven

X had een beleggingsverzekering bij verzekeraar Y NV. Het betreft een kapitaalverzekering bij leven, zonder overlijdensdekking. De einddatum van de verzekering is 1 mei 2021. X heeft al vanaf zeer jonge leeftijd een ernstige ziekte en verblijft in een verpleegtehuis. In oktober 2015 vraagt zijn zuster als bewindvoerder van X om een offerte voor afkoop van de verzekering. Y NV vraagt om medische informatie, die de zus van X verstrekt. In mei 2016 laat Y NV weten op grond van deze informatie niet tot afkoop te willen overgaan.

In juni 2019, X is dan inmiddels overleden, klaagt de zus bij Y NV over de weigering om af te kopen. Zij legt de zaak in oktober 2019 voor aan de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening van het KiFiD.

De verzekeringsvoorwaarden

De verzekeringsovereenkomst bevatte algemene voorwaarden en bijzondere productvoorwaarden. In de bijzondere productvoorwaarden stond: “De verzekeringnemer heeft, zolang de verzekerde in leven is, het recht de verzekering te beëindigen tegen uitkering van de afkoopwaarde”. Op basis van de algemene voorwaarden kon Y NV bij wijziging van het medische risico waarborgen verlangen. Tevens bevatte de algemene voorwaarden een artikel; “daar waar de bijzondere productvoorwaarden afwijken van de algemene voorwaarden, geldt wat in de bijzondere productvoorwaarden staat vermeld”.

De zus van X stelt dat alleen de algemene voorwaarden nadere eisen aan afkoop stellen. Omdat de bijzondere productvoorwaarden in geval van afwijking voorgaan, had Y NV volgens haar de afkoop moeten toestaan en geen gezondheidsverklaring mogen opvragen.

Oordeel Geschillencommissie

De Geschillencommissie stelt vast dat op grond van de productvoorwaarden blijkt dat afkoop in beginsel mogelijk was. Ter discussie staat of Y NV het verzoek op medische gronden mocht afwijzen. Partijen verschillen van mening over de vraag of de hiervoor genoemde artikelen van de Algemene Voorwaarden en de Bijzondere productvoorwaarden van elkaar afwijken (zodat de bijzondere voorwaarden voorgaan), of elkaar aanvullen.

Volgens de Geschillencommissie is bij afkoop geen sprake van wijziging van het risico als bedoeld in de algemene voorwaarden, maar van beëindiging van het risico. Het desbetreffende artikel van de algemene voorwaarden is volgens de Geschillencommissie dan ook niet van toepassing. De vraag of de productvoorwaarden op dit punt afwijken van de algemene voorwaarden is daarmee niet langer relevant.

De Geschillencommissie oordeelt verder dat Y NV een gezondheidsverklaring mocht vragen. Als X dood gaat voor de einddatum van de verzekering komt het kapitaal volledig ten goede aan Y NV. Dat maakt dat de levenskans van X bepalend is bij het vaststellen van de afkoopwaarde van de verzekering. De Geschillencommissie vindt dat Y NV in redelijkheid mocht vragen om informatie over de gezondheid van X en van X in redelijkheid mocht verwachten dat hij deze informatie verstrekt. Op grond van artikel 6:248, lid 1 BW dienen partijen zich immers jegens elkaar te gedragen overeenkomstig de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Het risico voor de verzekeraar is volgens de Geschillencommissie niet de bijdrage van Y NV aan het verzekerde kapitaal, maar de door Y NV geboden dekking; te weten de uitkering bij in leven zijn van X op de einddatum. Daarom is de gezondheid van X bepalend en om die reden vindt de Geschillencommissie het opvragen van medische informatie gerechtvaardigd.

Vervolgens stelt de Geschillencommissie de vraag aan de orde of Y NV op basis van de ontvangen medische informatie mocht oordelen dat de kans op overlijden van X voor de einddatum zo groot was dat de afkoopwaarde nihil was. De medisch adviseur van Y NV constateerde dat de sterftekans van X zodanig hoog was dat verwacht kon worden dat X voor de einddatum dood zou gaan. Een naar aanleiding van deze KiFiD-procedure door Y NV ingeschakelde andere medisch adviseur bevestigde dit oordeel.

De Geschillencommissie concludeert dat zij onder deze omstandigheden niet anders kan oordelen dan dat Y NV de afkoopwaarde op nihil heeft mogen inschatten en het afkoopverzoek mocht afwijzen. De Geschillencommissie wijst de vordering af.

Commentaar

De afkoopwaarde van een kapitaalverzekering is de waarde in het economische verkeer. Met andere woorden de koopsom die een partij onder normale marktomstandigheden bereid is te betalen. Voorwaarde voor de uitkering was dat de verzekerde in leven is op de einddatum. Gaat hij eerder dood, dan volgt er in het geheel geen uitkering. Twee artsen constateerden in 2015 dat de kans dat X levend de einddatum van de verzekering (2021) bereikt zeer gering is. Dat zij hierin gelijk hadden, blijkt uit het feit dat X in 2019 dood ging. De waarde in het economische verkeer (en dus ook de afkoopwaarde) stelde Y NV dus terecht op nihil. Natuurlijk is het zuur voor de erfgenamen van X dat een verzekering waarvoor jarenlang premie is betaald, twee jaar voor de einddatum niets waard blijkt te zijn. Maar dat is inherent aan een kapitaalverzekering die alleen uitkeert bij in leven zijn van de verzekerde op de einddatum. De kans dat de verzekerde die einddatum niet haalt, is meegenomen in het vaststellen van de premie via de zogenoemde negatieve risicopremie. Premies en kapitalen zijn gebaseerd op gemiddelden op basis van de wet van de grote aantallen. En daarvan afwijken in een individueel geval tast de basis van het op solidariteit gebaseerde verzekeringsstelsel aan. Er zijn immers ook verzekerden die (veel) langer leven dan gemiddeld en waarvoor een verzekeraar de op de gemiddelde levensverwachting gebaseerde periodieke uitkering moet doen zo lang de individuele verzekerde in leven is. Een verzekeraar die zijn tarieven baseert op de juiste actuariële grondslagen maakt over zijn gehele bestand genomen geen sterftewinst. Bij een individuele levensverzekering kan dat wel het geval zijn, zoals deze casus aantoont.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Geschillencommissie Financiële Dienstverlening 30 december 2020, nr. 2020-1089.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 22 januari 2021.