Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Afspraken tussen verzekeraar en deelnemer kunnen geen ruimere strekking hebben dan inhoud pensioenovereenkomst

Afspraken tussen verzekeraar en deelnemer kunnen geen ruimere strekking hebben dan inhoud pensioenovereenkomst

1 oktober 2020

Werkgever wijzigt pensioenovereenkomst zonder expliciete instemming van deelnemer. Partnerpensioen op opbouwbasis wordt partnerpensioen op risicobasis. Weduwe van overleden gewezen deelnemer claimt met succes een nabestaandenpensioen bij de werkgever. Werkgever roept verzekeraar tevergeefs op in vrijwaring.

Wat vooraf ging

De oorsprong van deze zaak ligt in de procedure die wij bespraken in ons nieuwsbericht van 10 oktober 2019. Een werkgever wijzigde in 1999 de pensioenovereenkomst met zijn werknemers zodanig dat geen sprake meer was van een partnerpensioen op opbouwbasis, maar van een partnerpensioen op risicobasis. Het op die datum reeds opgebouwde partnerpensioen werd omgezet in ouderdomspensioen.

Ruim vijftien jaar later overlijdt een gewezen deelnemer en diens weduwe claimt een partnerpensioen. De pensioenverzekeraar weigert dit, omdat er geen dekking voor het partnerpensioen was. Een partnerpensioen op risicobasis vervalt immers als een deelnemer uit dienst gaat. Het Hof Den Bosch veroordeelt in hoger beroep de werkgever om het partnerpensioen alsnog toe te kennen omdat geen sprake was van welbewuste instemming van de deelnemer met de wijziging in 1999 en het gewijzigde pensioenreglement voor hem dus nooit van toepassing is geworden.

Werkgever roept verzekeraar op in vrijwaring

De werkgever roept vervolgens de pensioenverzekeraar op in vrijwaring en vordert;

  • dat de verzekeraar het partnerpensioen waarop de weduwe volgens de veroordeling in de hoofdzaak recht heeft, gaat uitkeren, dan wel 
  • alles wat de werkgever aan de weduwe moet betalen aan hem vergoedt.

 

De werkgever voert daarvoor drie stellingen aan:

  1. De werknemer maakte gebruik van de mogelijkheid om bij einde van het dienstverband een deel van zijn ouderdomspensioen om te zetten in partnerpensioen. Door het aanvaarden van het aanbod dat de verzekeraar hem daarvoor deed, kwam er op dat moment al een overeenkomst tot stand tussen de gewezen deelnemer en de verzekeraar.
  2. De omzetting van het opgebouwde partnerpensioen in ouderdomspensioen was in 1999 wettelijk nog niet mogelijk, zodat dit deel van het pensioen is behouden.
  3. De pensioenverzekeraar handelde onrechtmatig doordat de omzetting in 1999 in strijd was met de wet.

 

Hof wijst alle vorderingen af

Hof Den Bosch volgt de werkgever niet in de stelling dat er een overeenkomst tot stand is gekomen tussen de werknemer en de verzekeraar. Het uitruilkeuzeformulier, achteraf enigszins verwarrend ‘offerte’ genoemd, stuurde de verzekeraar op 8 april 2015 aan de werknemer. Hij koos voor ruil van ouderdomspensioen in partnerpensioen, maar overleed voor zijn ouderdomspensioen met bijbehorend partnerpensioen was ingegaan. Het hof beschouwt de ‘offerte’ die de verzekeraar verstuurde niet als een aanbod dat bij aanvaarding tot een overeenkomst leidde. De offerte was geen rechtshandeling. Het ging volgens het hof slechts om uitvoering van de reeds vastgelegde verbintenissen uit de pensioenovereenkomst. De werknemer had een pensioenovereenkomst met de werkgever en niet met de verzekeraar. De aanspraken die de werknemer had op de verzekeraar vloeien voort uit hetgeen hij met zijn werkgever overeen kwam. De verzekeraar kon afspraken maken met de werknemer over de uitvoering, maar die afspraken konden geen ruimere strekking hebben dan de inhoud van de pensioenovereenkomst tussen de werknemer en zijn werkgever. De inhoud van de pensioenovereenkomst is volgens het hof leidend en afspraken tussen de werknemer en de verzekeraar hebben dus niet geleid tot het ontstaan van een (zelfstandige) overeenkomst tussen de werknemer en de verzekeraar.

De tweede stelling van de werkgever komt volgens het hof erop neer dat de omzetting in strijd was met de toen geldende Regelen verzekeringsovereenkomsten PSW. Het hof  kwam in de hoofdzaak in 2019 tot het oordeel dat het pensioenreglement van 1999, dat de grondslag vormde voor de omzetting van partnerpensioen in extra ouderdomspensioen, niet van toepassing is geworden. Daarom kwam het hof toen niet toe aan de vraag of deze bepaling in strijd was met de toenmalige wet- en regelgeving. Naar het hof in de hoofdzaak achteraf concludeerde, bestond de bepaling immers helemaal niet omdat de oorspronkelijke overeenkomst niet rechtsgeldig was gewijzigd en dus nog steeds van kracht was.  Het hof stelt vast  dat het geval waarvoor de stelling is ingenomen zich niet voor doet, zodat het hof ook in de vrijwaringszaak niet toekomt aan de beoordeling daarvan.

Ook de derde stelling leidt volgens het hof niet tot toewijsbaarheid van de vordering. Zelfs als het oordeel zou zijn dat de verzekeraar in strijd met de wet handelde door het tot 1 januari 1999 opgebouwde partnerpensioen om te zetten in extra ouderdomspensioen, dan was dat volgens het hof niet onrechtmatig tegenover de werkgever. De geschonden norm strekte namelijk niet ter bescherming van de werkgever. De verzekeraar voerde vanaf 1 januari 1999 het nieuwe pensioenreglement van de werkgever uit. Het hof ziet niet in wat daar jegens de werkgever onrechtmatig aan is. Het hof wijst er op dat het niet het initiatief was van de verzekeraar om het pensioenreglement van de werkgever te (willen) wijzigen. De verzekeraar had daar verder ook geen rol in. Onbetwist is dat de werkgever destijds is geadviseerd en bijgestaan door een professionele en gerenommeerde adviseur en dat deze deskundige in 1999 het pensioenreglement redigeerde. Het hof voegt daar nog aan toe dat de pensioenuitvoerder niet verantwoordelijk is voor de inhoud van het pensioenreglement vóór 2008 (artikel 21, lid 2 Invoerings- en aanpassingswet Pensioenwet).

Commentaar

Een zaak die weer eens glashelder aangeeft hoe de verantwoordelijkheden in de bekende pensioendriehoek liggen. De basis is de pensioenovereenkomst die een werkgever sluit met zijn werknemer. Om daar uitvoering aan te geven sluit de werkgever een schriftelijke uitvoeringsovereenkomst met een pensioenuitvoerder en houdt deze in stand.
De pensioenuitvoerder stelt een pensioenreglement op waarin de verhouding tussen de deelnemer en de pensioenuitvoerder is geregeld. De pensioenovereenkomst en de uitvoeringsovereenkomst zijn overeenkomsten, het pensioenreglement is dat niet.

Het is de verantwoordelijkheid van de werkgever om wijzigingen in de pensioenovereenkomst op de daarvoor geëigende wijze tot stand te brengen door de vereiste instemming van de deelnemers rechtsgeldig te verkrijgen. De pensioenverzekeraar was daar in dit geval in het geheel niet bij betrokken omdat de werkgever een adviseur in de arm nam die het proces volledig begeleidde. De werkgever kan in een dergelijk geval niet de pensioenverzekeraar achteraf aanspreken op onvolkomenheden in dit proces. Dat neemt natuurlijk niet weg dat pensioenuitvoerders wel kunnen worden aangesproken voor onvolkomenheden waarvan zij op de hoogte waren of redelijkerwijs hadden kunnen zijn.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis.

Bron: Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 15 september 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2846

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 1 oktober 2020.