Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Afstand doen van pensioen bij scheiding moet schriftelijk

23 oktober 2017

De Wet verevening pensioen bij scheiding geeft recht op een standaard verevening. Volgens de wet kan daarvan schriftelijk worden afgeweken. Maar soms vindt één van de exen dat gedrag van de ander het recht op uitkering doet vervallen. Wat vindt de rechter daarvan?

Pensioenverevening bij scheiding

Een man (X) en vrouw (Y) trouwden op 20 december 1972 in gemeenschap van goederen. In 2001 scheiden X en Y, waarna op 26 oktober 2001 de echtscheiding wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In het echtscheidingsconvenant zijn X en Y overeengekomen dat hun pensioenrechten worden verevend.

In 2007 schrijft Y aan X:

(…)”Bij deze deel ik u mede, dat ondanks het feit er momenteel nog geen sprake is van samenwonen, waardoor mijn rechten op alimentatie zouden vervallen, ik toch van deze regeling geen gebruik meer wil maken. Vanaf 1 juni 2007 wens ik van u geen financiële vergoeding/alimentatie meer te ontvangen.”(…)

X schrijft Y vervolgens in een brief:

(…)”Waarover echter duidelijkheid gewenst c.q. noodzakelijk is, is over de vraag of je hiermee ook bedoelt dat je volledige loskoppeling wenst van al onze financiële verplichtingen naar elkaar.

Daarmee bedoel ik, dat er een wettelijke regeling loopt van betaling van pensioenrechten (ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen) van mij naar jou en van jou naar mij.

Uiteraard zal ik ook jouw verplichtingen aan mij dan laten vervallen, als jij deze verplichtingen van mij aan jou laat vervallen.”(…)

Y heeft op deze brief niet gereageerd.

Als X op 1 oktober 2010 met vroegpensioen gaat, en daarna op 1 oktober 2013 met regulier pensioen, ontvangt X de (vroeg)pensioenuitkeringen.

In 2014 vraagt Y informatie op bij de pensioenuitvoerder van X. De pensioenuitvoerder meldt Y dat X in 2011 een brief heeft gekregen waarin de pensioenuitvoerder X laat weten dat Y op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS), recht heeft op de helft van het (tijdelijk) ouderdomspensioen. Y laat X vervolgens weten dat zij aanspraak heeft op haar gedeelte van het gewone en het tijdelijke pensioen. Zij verzoekt X een en ander te regelen/op te lossen. Als X dit niet doet eist Y in 2015 dat X haar het achterstallige pensioenbedrag betaalt en ervoor zorgt dat hij vanaf april 2015 de helft van het te ontvangen pensioen aan Y overgemaakt.

Afstand doen van verevening

Volgens X heeft Y afstand gedaan van haar recht op pensioenverevening, dan wel haar recht daarop heeft verwerkt. Bij het hof voert X daartoe aan dat hij en Y op 29 juni 2007 onder meer over het onderwerp pensioen spraken, waarbij X aan Y heeft aangegeven dat zijn vraag over het afzien van het pensioen nog onbeantwoord was gebleven. Y heeft hierop geantwoord: “Ik wil niets meer van jou hebben, jouw geld heb ik niet nodig en ik wil niets meer met je te maken hebben.”, aldus de man. Hij biedt bewijs aan van zijn stellingen.

Het hof vindt dit onvoldoende om tot het oordeel te komen dat de vrouw afstand heeft gedaan van haar recht op pensioenverevening. X en Y hebben immers in hun echtscheidingsconvenant afgesproken dat zij de pensioenen zouden verevenen conform de wettelijke aanspraken van de WVPS. Daarbij komt dat de toepasselijkheid van de WVPS niet kan worden uitgesloten door een mondelinge overeenkomst (art. 2 lid 1 WVPS) en dat X zich, gelet op zijn brief van 21 mei 2007 aan de vrouw, daarvan kennelijk ook bewust geweest.

Verder vindt het hof dat het beroep van Y op pensioenverevening niet onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. X en Y hebben het convenant immers vastgelegd dat zij de pensioenen zouden verevenen. En dan is het vervolgens aan partijen om de pensioenverzekeraar(s) in kennis te stellen, dan wel aan de vereveningsplichtige om in elk geval aan de ander de nodige gegevens van diens pensioenverzekeraar te verschaffen. X heeft het hof niet overtuigd dat hij één van beide heeft gedaan. De vrouw mocht, nu geen andere schriftelijk vastgelegde afspraken waren gemaakt, er daarom redelijkerwijs van uitgaan dat zij - hetzij via de maatschappij, hetzij van de man - het pensioen zou ontvangen, omdat het om het aan haar toekomende deel van het pensioen ging. Ook indien de door de man gestelde uitlatingen van de vrouw in 2007 hebben plaatsgevonden, maakt dat niet dat de man er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zij geen aanspraak meer zou maken op pensioenverevening. 

Het beroep van X op rechtsverwerking overtuigt het hof evenmin. Volgens het hof moet X zich in 2011 nog bewust zijn geweest van de aanspraken van de vrouw. Hij heeft in elk geval door het e-mailbericht van de pensioenverzekeraar van 7 oktober 2014 c.q. de aangetekende brief van Y aan hem van 16 oktober 2014 - ongeveer een jaar nadat hij 65 jaar was geworden - kunnen en moeten begrijpen dat Y gebruik wilde maken van haar aanspraken. Dat is niet zodanig laat dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat Y haar aanspraak niet meer gestand zou doen, aldus het hof. Dat geldt temeer gelet op de strenge eis van schriftelijke vastlegging van uitsluiting van recht op pensioenverevening.

Commentaar

Deze casus laat zien dat de pensioenparagraaf in het echtscheidingsconvenant geen dode letter is. Een goede voorlichting door echtscheidingsadvocaten en –mediators bij het opstellen van het –convenant is noodzakelijk. En voorkomt rechtszaken zoals deze.

De uitspraak is niet verrassend; de wet is duidelijk. Er mag niet worden afgeweken van een standaardvervening tenzij dit schriftelijk gebeurt; in het echtscheidingsconvenant of in de huwelijkse voorwaarden. 

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 september 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 20 oktober 2017.