Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Aftopping pensioengevend loon voor deeltijdwerkers

7 oktober 2016

Bij de aftopping van het pensioengevend loon van deeltijdwerkers blijft de deeltijdfactor van kracht. Wiebes ziet geen mogelijkheden om te voorkomen dat iemand met een deeltijddienstbetrekking en een salaris dat op voltijdsbasis meer bedraagt dan het maximum van € 101.519, minder pensioen opbouwt dan iemand met een voltijddienstbetrekking die hetzelfde salaris verdient. Dit blijkt uit de brief die hij de Eerste Kamer daarover stuurt.

Aftopping pensioengevend loon en deeltijd

Sinds 1 januari 2015 geldt een maximering voor het pensioengevend loon. Over het pensioengevend loon dat meer bedraagt dan € 101.519 (2016) kan een werknemer niet langer fiscaal gefaciliteerd bruto pensioen opbouwen. Volgens de Wet op de loonbelasting (Wet LB) moeten werknemers die in deeltijd werken dit bedrag vermenigvuldigen met de deeltijdfactor. Anders kan bij deeltijddienstbetrekkingen over een hoger bedrag pensioen worden opgebouwd dan het aftoppingsbedrag. Iemand met een 50% dienstverband en een salaris van € 60.000, bouwt daardoor minder pensioen op dan iemand met een 100% dienstverband en een salaris van € 60.000. Het pensioengevend salaris van de deeltijder wordt immers afgetopt op 50% van € 101.519 en dat van de voltijder blijft € 60.000.

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelde dit verschil in behandeling tussen deeltijders en voltijders in november 2015 aan de orde. De staatssecretaris reageerde op 30 september 2016 op het oplossingsvoorstel van de vaste commissie.

Oplossingsvoorstel aftoppingsgrens voor deeltijdwerkers

De commissie stelt voor om aan deeltijders waarvan het pensioengevende salaris, dan wel de optelsom van de pensioengevende salarissen, achteraf bezien lager ligt dan € 101.519 meer fiscale ruimte voor pensioenopbouw te bieden dan volgens de Wet LB mogelijk is.

De commissie vroeg de staatssecretaris om te onderzoeken of het fiscaal mogelijk kan worden gemaakt dat met terugwerkende kracht additionele fiscaal gefaciliteerde pensioenopbouw in de tweede pijler toe te staan.

Staatssecretaris: het voorstel is praktisch niet realiseerbaar

De staatssecretaris waardeert het initiatief van de commissie voor het bedenken van een optie. Hij vindt het voorstel echter praktisch niet realistisch omdat dit voor werkgevers, pensioenuitvoerders en belastingdienst tot problemen leidt.

De belastingdienst ontvangt geen individuele gegevens over het pensioengevend loon en de gehanteerde deeltijdfactor. Zij toetst met name vooraf of de (collectieve) pensioenregeling voldoet aan de fiscale grenzen. De belastingdienst controleert daarmee of het hanteren van een deeltijdfactor bij deeltijddienstbetrekkingen op een juiste wijze in de pensioenregeling is opgenomen.

Daarbij komt dat het voorstel zorgt voor de nodige complexiteit in de uitvoering van pensioenregelingen, aldus de staatssecretaris. “De (additionele) pensioenopbouw zal uiteindelijk tussen werknemer en werkgever overeen moeten worden gekomen.” Gezien de diversiteit aan pensioenregelingen zal het volgens de staatssecretaris niet altijd gemakkelijk zijn om vast te stellen of een lager pensioengevend loon wordt veroorzaakt door de toepassing van de deeltijdfactor op de aftoppingsgrens of door hetgeen tussen sociale partners is overeengekomen. Daarnaast kan worden gedacht aan situaties waarin een werknemer meerdere werkgevers heeft en in meerdere pensioenregelingen pensioen opbouwt. Als deze werknemer op grond van het voorstel ruimte heeft voor additionele pensioenopbouw, dan is de vraag op grond van welke pensioenregeling deze inhaal van pensioenopbouw plaats moet vinden. Ook moet de werknemer in dat geval (direct of indirect) aan de werkgever melden welke inkomsten hij bij een andere werkgever geniet. Dat betreft privacygevoelige informatie.

Commentaar

Volgens een schatting van de Belastingdienst zouden rond de 50.000 deeltijdwerkers “slachtoffer” kunnen zijn van de aftoppingsregel. Het gaat dan onder meer om deeltijdwerkers die naast hun deeltijdsdienstverband actief kunnen zijn als ZZP-ers of als mantelzorger. Hoewel dat een bescheiden aantal is, vroeg de commissie de staatssecretaris haar oplossingsvoorstel te verkennen. Met name omdat het aantal zou kunnen oplopen wanneer de aftoppingsgrens als gevolg van politieke besluitvorming in de toekomst verder daalt of wanneer de flexibiliteit op de arbeidsmarkt verder groeit. Naar onze mening geen ondenkbare ontwikkelingen.

De commissie heeft problemen met toepassing van de deeltijdfactor. “Gesteld werd dat de wet deeltijders benadeelt die in totaliteit (veel) minder inkomen verdienen dan 100.000 euro op jaarbasis, maar niettemin met de aftopping te maken krijgen. De pro rato aftopping treft een groeiende groep werknemers die werk in deeltijd combineren met zorgtaken, vrijwilligerswerk of met zzp-activiteiten, waardoor zij bij pensionering een grotere terugval in levensstandaard zullen hebben dan voltijders die eenzelfde jaarinkomen hebben genoten.”
De pensioenwetgeving schrijft voor dat bij een deeltijd dienstverband een deeltijdfactor moet worden gehanteerd. Dit gebeurt bijvoorbeeld ook bij de toepassing van de franchise. Het lijkt dan ook niet meer dan logisch dat die deeltijdfactor ook moet worden toegepast op de aftopping. Zijn deeltijdwerkers daarmee slechter af dan voltijdswerkers met een salaris boven de aftoppingsgrens? Neen. Ook zij kunnen, net als voltijds werkers hun pensioen met betrekking tot salaris boven de aftoppingsgrens aanvullen met een netto-pensioen.

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Verslag schriftelijk overleg inzake pensioenaftopping deeltijdwerkers, Eerste Kamer, d.d. 30 september 2016

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 5 oktober 2016