Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Antwoord op Kamervragen over verhuizing pensioenfondsen naar België

10 juni 2016

Je kunt de klok erop gelijk zetten. Een artikel in de krant over verhuizing van pensioenfondsen naar België levert Kamervragen op. Ook nu weer. Naar aanleiding van twee artikelen in het FD op 2 mei stelden twee Kamerleden vragen aan de staatssecretaris van Sociale Zaken.

Dezelfde vragen, dezelfde antwoorden

Zowel Kamerlid Ulenbelt (SP) als Lodders (VVD) stellen vragen over artikelen in het FD over (voorgenomen) verhuizingen van pensioenfondsen naar België, de zogenoemde België-route. Hoewel de vragen niet nieuw zijn (zie bijvoorbeeld onze nieuwsberichten van 7 mei 2015 en 1 juli 2014) heeft Klijnsma negen pagina’s nodig om antwoorden te geven. Hieronder een overzicht van enkele van de vragen en een verkorte weergave van Klijnsma’s antwoorden.

In hoeverre kan een fonds in België makkelijker indexeren dan in Nederland?

Klijnsma kan niet op voorhand met zekerheid zeggen of een fonds in België makkelijker kan indexeren dan in Nederland. Dat hangt mede af van de specifieke situatie van een fonds en de hoogte van het verwachte rendement waarmee het fonds van de Belgische toezichthouder mag rekenen.

Een Belgisch Organisme voor de Financiering van Pensioenen (OFP) is volgens de Belgische wetgeving verplicht de technische voorzieningen te waarderen op basis van een prudente actuariële waardering zowel inzake rentevoeten als biometrische gegevens. Rekening houdend met alle verplichtingen overeenkomstig de uitgevoerde pensioenregeling. In België mag – in tegenstelling tot in Nederland - het verwachte beleggingsrendement worden opgenomen in de berekeningsbasis van de technische voorziening. De Belgische waarderingsregels zijn nadrukkelijk gekoppeld aan de bijstortingsverplichting van de werkgever.

Hoeveel bedrijven hebben de afgelopen vijf jaar hun pensioenregeling onder gebracht bij een buitenlandse uitvoerder?

Op dit moment voeren Belgische pensioenfondsen de regelingen uit van zeven Nederlandse werkgevers, met een totale omvang van circa 550 miljoen euro. Daarnaast onderzoekt een klein aantal pensioenfondsen en/of werkgevers een mogelijke overdracht van hun Nederlandse pensioenregeling naar een Belgisch pensioenfonds. Van AON Hewitt, ExxonMobil en BP is dit inmiddels publiek bekend, maar over de andere gevallen (maximaal 3) kan de staatssecretaris in verband met vertrouwelijkheid geen uitspraken doen.

Welk kostenvoordeel kunnen bedrijven in België behalen? Kan dit ook in Nederland?

Bundeling van de uitvoering van meerdere pensioenregelingen bij één pensioenuitvoerder leidt onder meer tot een besparing op de kosten van governance, beleggingen en administratie. Deze besparingen zijn onafhankelijk van de lidstaat waar de pensioenuitvoerder gevestigd is. Volgens het kabinet kan dit ook bereikt worden door regelingen te bundelen bij een Nederlands pensioenfonds of een Nederlandse verzekeraar.

De Nederlandse werkgevers die hun pensioenregeling laten uitvoeren door een pensioenfonds uit een andere lidstaat zijn met name internationaal opererende bedrijven met medewerkers in verschillende landen. Daarvoor kan het uitvoeringstechnisch aantrekkelijk zijn om de pensioenregelingen van meerdere bedrijfsonderdelen uit te laten voeren door één gezamenlijke pensioenuitvoerder. Daarbij geldt dat de meeste van deze bedrijven een sponsorgarantie hebben afgegeven ten aanzien van de nakoming van de in de betreffende lidstaten geldende pensioenregelingen. Die garantie wordt niet meegenomen in het Nederlandse financieel toetsingskader, maar leidt in sommige landen tot (initieel) lagere kosten, zoals een lagere premie, doordat de omvang van de technische voorziening in dat land is gekoppeld aan het bestaan van de sponsorgarantie.

Is er aanleiding om regelgeving uit te breiden met een grensoverschrijdende werking?

Op basis van reacties op het consultatiedocument blauwdruk Algemene Pensioeninstelling concludeerde het kabinet in november 2013 dat er behoefte aan grensoverschrijdende dienstverlening bestaat, maar dat de precieze omvang en de gevoelde urgentie zich op dat moment lastig lieten bepalen. Uit verschillende reacties op dat consultatiedocument bleek dat de prudentiële regels van het financieel toetsingskader nauw samenhangen met de aard van de Nederlandse pensioenregelingen. Deze regels zijn niet altijd geschikt voor de uitvoering van buitenlandse pensioenregelingen. Gezien deze reacties koos het kabinet ervoor om de oplossingsrichting voor grensoverschrijdende dienstverlening voorlopig niet verder uit te werken. Het kabinet inventariseert de komende periode opnieuw wat de precieze omvang en gevoelde urgentie met betrekking tot grensoverschrijdende dienstverlening is bij belanghebbenden. Op basis daarvan zal het kabinet bekijken of het mogelijk en wenselijk is om wet- en regelgeving aan te passen.

Heeft Nederland iets laten schieten door niet snel op de Europese pensioenwetgeving in te haken?

Sinds de inwerkingtreding van de IORP-richtlijn heeft Nederland een PPI mogelijk gemaakt die vooral geschikt is om in te spelen op een behoefte aan grensoverschrijdende uitvoering van premieregelingen. Een PPI kan onder voorwaarden ook buitenlandse DB-regelingen uitvoeren waarvoor een werkgever of een verzekeraar zich garant heeft gesteld. Bovendien heeft Nederland een algemeen pensioenfonds geïntroduceerd dat in beginsel in staat is om buitenlandse pensioenregelingen uit te voeren. Het kabinet zal zich beraden op mogelijk verdere stappen indien dat op basis van de eerder genoemde inventarisatie opportuun blijkt.

Moet voorkomen worden dat pensioenen naar het buitenland verhuizen?

Het sluiten van een uitvoeringsovereenkomst met een pensioenuitvoerder behoort tot de verantwoordelijkheden van sociale partners. Het is aan hen af te wegen welke pensioenuitvoerder het beste de pensioenregeling kan uitvoeren, gegeven de belangen van de deelnemers en het karakter van de pensioenregeling. De IORP-richtlijn maakt mogelijk dat een pensioenregeling van een Nederlandse werkgever ook kan worden uitgevoerd door een pensioenuitvoerder uit een andere lidstaat. Zoals eerder beschreven is het volgens het kabinet van belang dat de deelnemers adequaat beschermd worden en zet het kabinet daar op in bij de huidige onderhandelingen over de herziening van de IORP-richtlijn.

Commentaar

De vragen van Ulenbelt en Lodders zijn vragen naar de bekende weg. Niet zo verwonderlijk: de antwoorden zijn gelijk aan die op eerdere vragen over dit onderwerp.

Al meer dan tien jaar kan op grond van de pensioenfondsenrichtlijn een pensioenregeling in een andere lidstaat worden uitgevoerd. De Tweede Kamer stelde al in 2007 vergelijkbare vragen over verplaatsing van pensioenfondsen naar België. De conclusie van het kabinet was toentertijd dat de kern van de Pensioenwet – wat je belooft, moet je ook nakomen – ook van toepassing is op buitenlandse pensioeninstellingen die een Nederlandse regeling uitvoeren. Dit bood toen naar het oordeel van de bewindslieden voldoende bescherming aan de deelnemers. En deze conclusie is al die jaren niet veranderd.

Nederland maakt nu eenmaal onderdeel uit van de EU. Dat brengt consequenties met zich. Dat pensioenuitvoerders in andere EU-lidstaten Nederlandse pensioenregelingen mogen uitvoeren is daar een van. Het is nogal naïef om te denken dat we met nationale regelgeving de Europese regels op dit gebied opzij kunnen zetten. Een mooi voorbeeld is een bepaling die oorspronkelijk in het wetsvoorstel Wet op de ondernemingsraden en de Pensioenwet in verband met de bevoegdheden van de ondernemingsraad inzake de arbeidsvoorwaarde pensioen was opgenomen. Alleen wanneer de werkgever zijn pensioenregeling bij een buitenlandse uitvoerder wilde onderbrengen moest de OR instemmen. In de vakliteratuur werd twijfel geuit over of het onderscheid tussen de keuze voor een binnenlandse pensioenuitvoerder en de keuze voor een buitenlandse pensioenuitvoerder een belemmering is van het vrije verkeer van diensten of discriminatie naar nationaliteit. Klijnsma paste het wetsvoorstel aan; de OR heeft nu instemmingsrecht bij de keuze van de pensioenuitvoerder. Daarbij is het niet van belang of dit een binnenlandse of een buitenlandse uitvoerder is.

Klijnsma zegde in het algemeen overleg over pensioenonderwerpen de Tweede Kamer toe dat zij voor 1 december een analyse naar de Kamer stuurt over het vestigingsklimaat voor pensioenfondsen.

Auteur: Erik Schouten, adviseur internationale pensioenen Aegon Adfis

Bronnen:

  • Brief staatssecretaris van Sociale Zaken met antwoord op Kamervraag van het lid Lodders (VVD) over het bericht “Pensioenfondsen verhuizen naar België”, 3 juni 2016.
  • Brief staatssecretaris van Sociale Zaken met antwoord op Kamervragen van het lid Ulenbelt (SP) over het bericht "dat pensioenen steeds vaker naar België gaan om de kosten te drukken", 3 juni 2016.
  •  

    Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 9 juni 2016.