Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

AOW geëmigreerde naast uitstel ook nog gekort

9 augustus 2018

Een mevrouw emigreerde naar België en zette de AOW-opbouw voor een aantal jaren vrijwillig voort. Door uitstel van de AOW-ingangsdatum kort de Sociale verzekeringsbank (Svb) het aantal opbouwjaren. De rechtbank vindt dat de korting voortvloeit uit de wet en dat pas op de AOW-ingangsdatum kan worden bepaald of dit voor mevrouw tot een onredelijk zware last leidt. 

Vrijwillige voortzetting AOW

Mevrouw E is geboren op 30 oktober 1953. Op 3 augustus 1976 verhuisde zij naar België. Tot 24 december 1981 verzekerde E zich vrijwillig voor de AOW. De Svb heeft in het besluit van 9 november 2017 de AOW datum van E vastgesteld op 30 juni 2020. Volgens dit besluit vangen de opbouwjaren van E aan op 30 juni 1970 en lopen deze tot 24 december 1981. E heeft derhalve in de 12 verzekerde jaren 24% van de AOW-uitkering opgebouwd.
E is het niet eens met het besluit van de Svb. Zij stelt dat dat zij op haar vijfenzestigste verjaardag, 30 oktober 2018, recht heeft op 28% AOW-pensioen. Dit blijkt uit een brief van de Svb uit 1990. Zij citeert twee afspraken uit deze brief:  

  • “Wij delen u mede, dat opgebouwde pensioenrechten niet komen te vervallen.” 
  • “Blijft u in Zwitserland wonen, dan heeft u bij gelijkblijvende omstandigheden bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd recht op 28% van het volledige ouderdomspensioen voor een gehuwde.” 

E is van mening dat opgebouwde rechten niet komen te vervallen, want dat staat volgens haar gelijk aan het gedeeltelijk onteigenen van een stukje eigendomsrecht. Zij stelt eveneens dat de AOW-regeling discriminerend is ten opzichte van geëmigreerden. Omdat deze op geen enkele manier in de gelegenheid zijn gesteld het verlies aan rechten op te vangen omdat ze buiten Nederland wonen. Daarom had de wetgever dit nooit mogen korten. 

Verhoging AOW-leeftijd legitiem en niet discriminerend

Inmenging van het eigendomsrecht is neergelegd in artikel 1 van het Eerste Protocol (Eerste Protocol) bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Volgen vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) leidt verhoging van de AOW-leeftijd niet tot een schending van dit artikel. Slechts in het geval dat de verhoging van de pensioenleeftijd leidt tot een onredelijke zware last kan sprake zijn van een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol. Dit kan volgens de rechtbank pas beoordeeld worden op de ingangsdatum van de AOW-uitkering. Dit geldt eveneens voor het verschuiven van de aanvang van de opbouwleeftijd van 30 oktober 1968 naar 30 juni 1970.

Het beroep van E op de brief van de Svb uit 1990 met het pensioenoverzicht waarop zij volgens haar recht heeft slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan een pensioenoverzicht niet strekken tot rechtsgevolg vóór ingang van de pensioenleeftijd. Het pensioenoverzicht strekt niet verder dan de vaststelling van de verzekerde tijdvakken tot aan de datum van het besluit. 

Volgens de rechtbank is de wetswijziging niet discriminerend voor geëmigreerde. Op de Svb rust geen plicht om voorheen verplicht verzekerden erop te wijzen dat zij zich vrijwillig kunnen verzekeren. Daarnaast moet op grond van artikel 36 van de AOW een vrijwillige verzekering worden afgesloten binnen één jaar na het eindigen van de verplichte verzekering. Daarom hoefde de Svb E niet actief of passief  in de gelegenheid te stellen zich vrijwillig te verzekeren voor haar AOW-pensioen. 

De rechtbank verklaart het beroep van E ongegrond. 

Commentaar

E vond dat de verhoging van de AOW-leeftijd haar wel erg hard trof. Vanwege de leeftijdsverhoging ging haar AOW-uitkering niet in op  30 oktober 2018 (haar 65-jarige leeftijd) maar pas op 30 juni 2020. Naast de bijna twee jaar uitstel werd de uitkering ook nog eens keer gekort vanwege de verkorte opbouwperiode. 

Haar beroep op artikel 1 van het Eerste Protocol slaagde niet. De algemene lijn uit vaste jurisprudentie is namelijk dat er bij de verhoging van de AOW-leeftijd (en de gelijktijdige verschuiving van de startdatum van AOW-opbouw) sprake is van een wettelijke basis en een maatregel in het algemeen belang. Of er sprake is van een onevenredig zware last moet van geval tot geval en aan de hand van de specifieke omstandigheden van dat geval worden beoordeeld. Maar dat kan volgens de rechtbank pas op de ingangsdatum. Zie ook ons bericht van 4 juli 2018.

Overigens gelden deze zware eisen ook voor niet-geëmigreerde personen. Zij moeten namelijk door het opschuiven van de AOW-leeftijd tijdens de uitstelperiode steeds de AOW-premies blijven voldoen. Daardoor ontstaat voor hen min of meer hetzelfde financiële nadeel als een geëmigreerde die de premiebetaling vrijwillig voortzet. Alleen al op die grond is er volgens onze mening geen sprake van discriminatie van geëmigreerde. 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Amsterdam, d.d. 13-06-2018

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 8 augustus 2018.