Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

AOW-leeftijd terug naar 65?

9 december 2015

Rechtbank Noord-Nederland besliste dat de verhoging van de AOW-ingangsdatum een ongeoorloofde inbreuk is op het eigendomsrecht. Betekent dit dat de AOW-leeftijd terug gaat naar 65?

De aanleiding

Rechtbank Noord-Nederland bepaalde in zijn uitspraak van 25 november 2015 dat de verhoging van de AOW-ingangsdatum een ongeoorloofde inbreuk is op het eigendomsrecht. Deze uitspraak leverde veel reacties op. Veelzeggende koppen in de pers als: “Rechter; 65 blijft 65” en “Hoop op AOW met 65”. Maar is deze -op het eerste gezicht baanbrekende- uitspraak nu wel zo spectaculair? 
Natuurlijk, het komt niet vaak voor dat een rechter met een beroep op Europese Verdragen een Nederlands wetsartikel buiten toepassing laat. De uitspraak is er echter eentje in de categorie: voor elk wat wils. Tegenstanders van de verhoging van AOW-leeftijd zien er argumenten in om de verhoging in zijn algemeenheid ter discussie te stellen. Voorstanders wijzen op het zeer specifieke karakter van deze zaak, waardoor er geen bredere strekking aan moet worden gegeven. 

Inbreuk op ongestoord genot van eigendom

De rechter constateert dat de verhoging van de AOW-ingangsdatum in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). Daarin staat dat iedereen recht heeft op ongestoord genot van zijn eigendom. Onder ‘eigendom’ verstaat het EVRM niet alleen bezittingen maar ook aanspraken waarvan de gerechtvaardigde verwachting bestaat dat die zullen worden gerealiseerd. De aanspraak op een AOW-uitkering is volgens de rechtbank een dergelijke aanspraak. Inbreuk op het eigendomsrecht door de overheid mag echter onder strenge (cumulatieve) voorwaarden. Er moet:

  • sprake zijn van een wettelijke basis; 
  • een legitiem doel zijn in het algemeen belang; 
  • een behoorlijk evenwicht zijn tussen de eisen van het algemeen belang van de samenleving en de bescherming van de fundamentele rechten van het individu. 

De Staat heeft bij deze laatste voorwaarde een ruime beoordelingsmarge. Alleen als sprake is van een voor het individu onevenredig zware last is niet voldaan aan dit proportionaliteitsvereiste. Wanneer wel aan de overige twee eisen is voldaan, is de inbreuk op het eigendomsrecht dan toch niet toegestaan. Deze afweging maakt de rechter elke keer als individuele burger een beroep doet op het EVRM. Zoals in deze zaak, maar bijvoorbeeld ook de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in de uitspraak van 14 februari 2013 (zie ons nieuwsbericht van 25 april 2013) en de Rechtbank Overijssel in zijn uitspraak (zie ons nieuwsbericht van 19 maart 2014).

Commentaar 

Alle hierboven aangehaalde rechtbanken zijn van mening dat sprake is van een wettelijke basis en van een legitiem doel. Zij gebruiken daarbij vrijwel dezelfde bewoordingen en onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis bij artikel 7a AOW (het artikel waarin de ingangsdatum is geregeld). Hierin staat dat de doelstelling van de wetswijziging was een besparing op de overheidsuitgaven te realiseren en de noodzaak om ook voor de toekomstige generaties een solide stelsel van collectieve voorzieningen zeker te stellen. De rechters vinden de inbreuk op het eigendomsrecht in deze drie gevallen dus gerechtvaardigd. Alleen beantwoordde Rechtbank Noord Nederland de vraag of sprake is van een onevenredig zware last voor het betrokken individu in dit geval anders dan de Rechtbank Zeeland-West-Brabant en de Rechtbank Overijssel. En dat is gezien de omstandigheden van het geval helemaal niet zo verrassend.

Of sprake is van een onevenredig zware last voor een individu, kan per definitie alleen maar worden bepaald aan de hand van de specifieke omstandigheden van dat individuele geval. En die zijn in het geval waarover de Rechtbank Noord Nederland oordeelde inderdaad heel specifiek. De Rechtbank overwoog dat sprake is van voor eiseres grote financiële problemen omdat zij geconfronteerd wordt met een AOW-gat van twee jaar. Het is voor eiseres in kwestie niet mogelijk om maatregelen of voorzieningen te treffen om in te spelen op de verschuiving van de AOW-leeftijd, gezien haar leeftijd, haar grote afstand tot de arbeidsmarkt en haar gezondheidstoestand. Zij heeft een aantal chronische aandoeningen die progressief van aard zijn en neemt als gevolg daarvan al geruime tijd geen deel meer aan het arbeidsproces. Het gaat om een betrekkelijk lange periode van 24 maanden die eiseres moet overbruggen. Daarnaast is het gezien het huidige inkomen van eiseres niet mogelijk om te sparen. Zij maakt gezien haar gezondheidstoestand en haar eenzijdige en korte arbeidsverleden vrijwel geen kans op de arbeidsmarkt. Ook is het onzeker of eiseres als zij 65 wordt in aanmerking zal komen voor bijstand, zonder dat zij eerst haar eigen woning moet ‘opeten’. Er is daardoor voor haar sprake van een onevenredig zware last en schending van artikel 1 van het Eerste protocol EVRM.

In de twee andere uitspraken viel de afweging van de rechter anders uit doordat de specifieke situaties anders waren. De Rechtbank Overijssel overwoog bijvoorbeeld dat de ophoging van de AOW-leeftijd waardoor eiser wordt getroffen niet een kleine groep burgers betreft, maar alle personen geboren na 30 november 1948. In de tweede plaats acht de rechtbank van belang dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever uitdrukkelijk heeft overwogen dat alle generaties een steentje bijdragen aan de rekening van de oplopende kosten van de AOW en dat de wetgever overgangsmaatregelen heeft genomen om mogelijke overbruggingsproblemen te compenseren voor mensen met weinig voorbereidingstijd. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat de onderhavige wetswijziging voor eiser leidt tot een onevenredig zware last.

In soortgelijke bewoordingen besliste de Rechtbank Zeeland-West-Brabant. Die overwoog dat “gelet op de beweegredenen van de wetgever en de ruime beoordelingsmarge die de Staat in deze toekomt, niet staande kan worden gehouden dat aan de Wet wijziging ingangsdatum AOW-ouderdomspensioen een onevenwichtige afweging ten grondslag ligt tussen de gediende gemeenschapsbelangen en het ingeroepen fundamentele recht, dan wel dat er geen redelijke proportionaliteitsrelatie bestaat tussen de gekozen middelen en het beoogde doel.” Van feiten of omstandigheden die meebrengen dat de onderhavige wijziging voor eiser leidde tot een individuele onevenredig zware last was de rechtbank niet gebleken. En in die laatste zin zit nu de crux. 

De redenering van de verschillende rechters aflopen is in alle drie de gevallen hetzelfde:

  1. De inbreuk op eigendom is gebaseerd op een wettelijke bepaling.
  2. Er is sprake van een legitiem doel in het algemeen belang . 
  3. En er is in twee van de drie gevallen geen sprake van een gezien de individuele feiten en omstandigheden een onevenredig zware last en één keer wel.

De uitspraak van de Rechtbank Noord Nederland kan dan ook niet zonder meer als baanbrekend en richtinggevend voor de overige gevallen worden beschouwd. De feiten en omstandigheden waren schrijnend en reden voor de Rechtbank Noord Nederland om in de afweging tot de conclusie te komen dat de last in dit individuele geval inderdaad onevenredig zwaar was. Maar dat wil niet zeggen dat deze afweging in andere gevallen, waarbij geen sprake is van individuele dusdanige omstandigheden, ook zo uitvalt. Sterker nog, dat lijkt ons gezien de overwegingen van de Rechtbank Overijssel en de Rechtbank Zeeland-West-Brabant niet bij voorbaat het geval.
Het enige wat deze uitspraak wel duidelijk maakt, is dat de afweging of sprake is van een onevenredig zware last per individu moet worden gemaakt en per individu anders kan uitvallen. Er zullen dan ook nog heel wat rechtszaken gevoerd moeten worden voor duidelijk is waar de grens ligt.

 

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: uitspraak Rechtbank Noord Nederland, 25 november 2015, ECLI:NL:RBNNE:2015:5585

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 9 december 2015