Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

AOW-partnertoeslag herleeft niet

26 april 2019

De rechter bevestigt dat de inkomensafhankelijke AOW-partnertoeslag niet herleeft wanneer deze eerder is komen te vervallen.

Partnertoeslag AOW

Iemand die vóór 2015 recht kreeg op AOW-pensioen en die een partner heeft die nog niet de AOW-leeftijd heeft, kan een partnertoeslag krijgen van 50% van het nettominimumloon. De toeslag is afhankelijk van het inkomen van de partner en eindigt zodra de partner de AOW-leeftijd bereikt.

Het AOW-ouderdomspensioen van X ging in op 27 augustus 2014. Zijn partner ontving op dat moment een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) tot en met 1 augustus 2016. De toeslag die X kreeg omdat zijn partner de pensioengerechtigde leeftijd nog niet had bereikt werd door deze WW-uitkering gekort.

X deelt de Sociale verzekeringsbank (Svb) mee dat zijn partner vanaf 1 augustus 2016 geen inkomen meer heeft en dat hij ervan uitgaat dat hij vanaf die datum recht heeft op een volledige toeslag. De Svb besluit dat het recht op toeslag niet herleeft vanaf de datum dat zijn partner geen WW-uitkering meer ontvangt. X is het hiermee niet eens en gaat tegen het besluit in beroep.

Centrale Raad van Beroep

De Centrale Raad van Beroep (hierna: de Raad) stelt X in het ongelijk en baseert zich op artikel 8 van de AOW dat met ingang van 1 januari 2015 als volgt luidt (voor zover van belang):

  1. "De pensioengerechtigde die voor 1 januari 2015 is gehuwd en voor die datum recht heeft op ouderdomspensioen en van wie de echtgenoot jonger is dan de pensioengerechtigde leeftijd, heeft overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op een toeslag, tenzij, met inachtneming van artikel 11, het inkomen uit arbeid of overig inkomen van die echtgenoot meer bedraagt dan de volledige bruto-toeslag.

 

  1. In afwijking van het eerste lid ontstaat op of na 1 januari 2015, geen recht meer op toeslag als gevolg van:

    a. wijziging van het inkomen, bedoeld in het eerste lid;

(…).

  1. Indien het recht op toeslag is geëindigd uitsluitend als gevolg van een incidentele stijging van het inkomen, bedoeld in het eerste lid, kan, in afwijking van het tweede lid, het recht op toeslag herleven.”.

 

Volgens de Raad geldt de uitzondering van het derde lid niet voor X omdat er geen sprake was van een incidentele stijging van het inkomen van de partner van X. Zij had namelijk een WW-uitkering vanaf december 2013.

De stelling van X dat zijn partner de WW-uitkering zou hebben geweigerd wanneer hij op de hoogte was gesteld van de consequenties voor het recht op toeslag leidden niet tot een ander oordeel van de Raad. De Raad ziet geen direct verband tussen de besluitvorming van de Svb en de keuze van de partner van X om haar WW-uitkering al dan niet te weigeren. Zij had de uitkering immers al met ingang van december 2013, terwijl pas met ingang van 1 januari 2015 artikel 8 van de AOW wijzigde.

Commentaar

Op 1 april 2015 verviel de inkomensafhankelijke AOW-partnertoeslag. Degenen die voor 1 januari 1950 geboren zijn en een AOW-toeslag ontvangen, behouden deze toeslag van maximaal 50% van het netto wettelijk minimumloon totdat de jongere partner AOW-pensioen krijgt of een te hoog inkomen krijgt.

De wet, maar ook de website van de Svb zijn duidelijk over het niet herleven van de partnertoeslag. De hoofdregel is: eenmaal de toeslag kwijt, dan krijg je die toeslag niet meer terug. Daarop is slechts een beperkt aantal uitzonderingen die helder zijn beschreven op diezelfde website

Personen die de AOW-leeftijd hebben maar geen volledig AOW-pensioen krijgen, kunnen recht hebben op aanvullende bijstand (aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen (AIO)). Dit geldt ook voor AOW-gerechtigden met een partner die nog geen AOW-pensioen krijgen. Deze AIO-aanvulling is onderdeel van de Participatiewet, waarvoor inkomens- en vermogensgrenzen gelden. Of X en zijn partner in aanmerking kwamen voor de AIO-aanvulling en daarop een beroep hebben gedaan is niet bekend.

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Centrale Raad van Beroep, 4 april 2019, datum publicatie 16 april 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 26 april 2019