Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

AOW-uitkering gehuwd of ongehuwd (2)?

10 augustus 2018

De heer A en mevrouw X wonen op hetzelfde huisadres. Volgens A ligt hieraan een commerciële verhouding ten grondslag. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) vindt dat op basis van de feiten sprake is van een gezamenlijke huishouding en dat aan A terecht een AOW-uitkering voor gehuwden is toegekend.

Gezamenlijke huishouding?

Mevrouw X huurt een woning. De heer A staat sinds 19 december 2005 ingeschreven op het zelfde adres. In een overeenkomst die A en X sloten, staat onder meer dat A de woning mag gebruiken als postadres en dat hij is ingeschreven als gedeeltelijk inwonend. In verband met de landelijke werkzaamheden van A als interimmanager, komen zij aanvullend overeen dat X diverse administratieve werkzaamheden en telefoondiensten voor A zal uitvoeren. Hiervoor betaalt A maandelijks aan X een beloning ter compensatie van zakelijke werkzaamheden, verblijf en gebruik van het postadres met aanverwante faciliteiten zoals eten, was, etc.

A vraagt op 26 mei 2015 een AOW-uitkering aan. Op het aanvraagformulier vermeldt hij dat hij een deel van de woonruimte van X huurt.

Naar aanleiding van de aanvraag legden medewerkers van de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) op 9 juli 2015 onaangekondigd een huisbezoek af op het uitkeringsadres. Uit dat huisbezoek blijkt onder andere dat A en X samen op het uitkeringsadres verblijven. A koopt bij X zijn volledige zorg in, waaronder de boodschappen en de vaste lasten. A betaalt X daarvoor € 3.000 per maand. In dat bedrag is ook een vergoeding begrepen voor de werkzaamheden die X voor het bedrijf van A verricht. X betaalt de vaste lasten, zij doet de boodschappen en betaalt deze en zij doet het huishouden. A en X eten gezamenlijk. A mag overal in de woning komen. A en X leggen samen bezoeken af en ontvangen samen bezoek van zakenpartners, familie en kennissen.

Het  Svb kent aan A met ingang van 2 juli 2015 een AOW-uitkering  toe naar de norm voor een gehuwde. A vindt dat hij recht heeft op een AOW-uitkering voor een  ongehuwde en maakt bezwaar. Het Svb verklaart dit bezwaar ongegrond omdat zowel aan het criterium van hoofdverblijf als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan, zodat sprake is van een gezamenlijke huishouding.

Hoofdverblijf en wederzijdse zorg

Volgens artikel 1, vierde lid, van de Algemene Ouderdomswet (AOW) is van een gezamenlijke huishouding sprake wanneer twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) stelt vast dat A in de te beoordelen periode zijn hoofdverblijf had in de woning van X.

Het criterium van wederzijdse zorg kan blijken uit een financiële verstrengeling tussen de betrokkenen of op grond van andere feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. De CRvB stelt vast dat sprake is van wederzijdse zorg.

 A stelt dat deze zorg berust op afspraken in verband met een commerciële relatie tussen hem en X. Volgens de CRvB is er geen sprake van een door zakelijke verhoudingen beheerste kostgangersrelatie. De CRvB: “Om het bestaan van een kostgangersrelatie aan te nemen, dient de economische verhouding tussen kostgever en kostganger beheerst te worden door zakelijke elementen. De prestaties die over en weer worden verleend dienen te zijn vastgesteld in een contract en voor de kost en inwoning die wordt verschaft zal een commerciële prijs moeten worden betaald waarvan controleerbare betaalgegevens kunnen worden overgelegd, vergelijk de uitspraak van 7 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2163.”  Volgens de CRvB is in de overeenkomst van A en X niet gespecificeerd wat de vergoeding voor de verschillende prestaties is, zodat geen onderscheid kan worden gemaakt tussen huisvesting, kostgangerschap en overige diensten. Daarmee kan ook niet worden beoordeeld of sprake was van een commerciële prijs voor kost en inwoning. Daar komt nog bij dat A en X de premies voor polissen van verzekeringen voor beiden van dezelfde bankrekening betaalden en zij bij de verzekeringsmaatschappij een partnerkorting hadden bedongen. Ook is niet gebleken dat met de pensionering van A de diensten van X zijn gewijzigd en een andere overeenkomst tot stand is gekomen. Het hoger beroep van A slaagt niet.

Commentaar

Het verschil tussen de AOW-uitkering gehuwd (€ 10.008) en ongehuwd (€ 14.638) bedraagt in 2018 € 4.630 per jaar. Als samenwoners beiden een ongehuwde uitkering krijgen loopt dit verschil op tot € 9.260 per jaar. Bij een levensverwachting van 20 jaar komt dit op een totaalbedrag van € 185.200. Een groot verschil. Vandaar dat er ook regelmatig over geprocedeerd wordt. Zie ook ons bericht van 22 maart 2018.

Als twee AOW-gerechtigden hetzelfde hoofdverblijf hebben is het lastig om nog in aanmerking te komen voor de AOW-uitkering ongehuwden. In dat geval moeten de uitkeringsgerechtigden kunnen aantonen dat er geen sprake is van wederzijdse zorg maar van bijvoorbeeld een kostgangersrelatie. Dit kunnen zij doen door een overeenkomst te overleggen waaruit blijkt dat de economische verhouding tussen kostgever en kostganger beheerst worden door zakelijke elementen. Uiteraard moeten dan de feiten ook aansluiten bij hetgeen is overeengekomen. In dit geval lukte het A niet om aan te tonen dat er sprake was van een kostgangersrelatie.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Centrale Raad van Beroep, 31 juli 2018

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 10 augustus  2018.