Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Arbeidsongeschiktheidsuitkering in Nederland belast

2 september 2019

Piloot ontvangt vanaf 2012 een invaliditeitsuitkering. Hij woont in Duitsland. Piloot is het niet eens met de loonheffing die wordt ingehouden vanaf 2017. De rechter vindt loonheffing correct op grond van het nieuwe belastingverdrag met Duitsland. Piloot komt ook niet in aanmerking voor het overgangsrecht.

Arbeidsongeschiktheidsuitkering

Een piloot (P) wordt in 2012 arbeidsongeschikt verklaard. Sindsdien ontvangt hij een invaliditeitsuitkering van de Stichting Pensioenfonds (de Stichting). P woont sinds januari 2015 in Duitsland. Vanaf 2017 houdt de Stichting loonheffing in over de uitkeringen.

P maakt bezwaar tegen de inhouding van loonheffing. Hij stelt dat de invaliditeitsuitkering niet kwalificeert als een pensioenuitkering in de zin van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Bondsrepubliek Duitsland tot het vermijden van dubbele belasting van 12 april 2012 (het nieuwe verdrag) en dat daarom de heffingsbevoegdheid niet aan Nederland maar aan Duitsland is toegewezen. Hij stelt ook dat de voorwaarde van het overgangsrecht van het nieuwe verdrag in strijd is met het vrije verkeer van personen en het gelijkheidsbeginsel.

Arbeidsongeschiktheidsuitkering is pensioen

Tussen partijen is niet in geschil dat Nederland naar nationaal recht kan heffen over de betreffende uitkering. Omdat P inwoner is van Duitsland, mag ook Duitsland belasting heffen over de betreffende inkomsten. In dat geval zorgt het belastingverdrag ervoor dat dubbele heffing wordt vermeden.

Tot 1 januari 2016 gold het verdrag ter voorkoming van dubbele belasting van 16 juni 1956 (het oude belastingverdrag). Onder het oude belastingverdrag werd de heffing over de invaliditeitsuitkering toegewezen aan Duitsland. Op 1 januari 2016 is het oude belastingverdrag vervangen door het nieuwe belastingverdrag. Volgens het nieuwe verdrag mag de woonstaat heffen over pensioen en andere soortgelijke beloningen. Maar volgens het tweede lid van artikel 17 van het nieuwe verdrag mag de bronstaat (in dit geval Nederland) ook heffen indien het totale bedrag van dergelijke pensioenen en andere soortgelijke beloningen afkomstig uit de bronstaat hoger is dan € 15.000 per jaar. Bestanddelen van het inkomen waarvan de heffingsbevoegdheid niet op basis van een ander verdragsartikel aan een van de betrokken verdragstaten is toegewezen, zijn op basis van artikel 21 slechts belastbaar in het woonland.

Voor het jaar 2016 bestond een eenmalige mogelijkheid om de belastingheffing volgens het oude belastingverdrag te laten plaatsvinden.

De invaliditeitsuitkering, afkomstig uit Nederland, is op jaarbasis hoger dan € 15.000. P stelt dat de uitkering geen pensioenuitkering betreft en daarom slechts in Duitsland mag worden belast. De inspecteur is van mening dat de uitkering kwalificeert als een pensioen zodat de heffing hierover aan Nederland is toegewezen.

De rechtbank overweegt als volgt. In het verdrag is geen begripsomschrijving opgenomen voor de uitdrukking pensioen. Het verdrag bepaalt dat elke niet in het verdrag omschreven uitdrukking de betekenis heeft welke die uitdrukking op dat moment heeft volgens de wetgeving van de verdragsluitende staat die het verdrag toepast. In het eerste lid, onderdeel a, ten vierde van artikel 18 van de Wet LB is opgenomen dat onder pensioen (mede) wordt verstaan een inkomensvoorziening bij arbeidsongeschiktheid zodra die langer dan een jaar duurt en welke niet uitgaat boven wat naar maatschappelijke opvattingen redelijk moet worden geacht. De invaliditeitsuitkering van P voldoet aan deze voorwaarden en is dus naar Nederlands recht een pensioen. Op basis van het nieuwe verdrag is de heffing aan Nederland toegewezen en dient Duitsland een verrekening of vermindering van de heffing in Duitsland te verlenen.

Volgens het overgangsrecht van het nieuwe verdrag is een tijdelijke vermindering van het belastingtarief van toepassing voor, onder andere, pensioenen betaald aan een natuurlijk persoon die vanaf 12 april 2012 onafgebroken inwoner is van Duitsland. Omdat P pas in 2015 in Duitsland ging wonen is dit overgangsrecht niet op hem van toepassing. Naar het oordeel van de rechtbank leidt de hogere heffing voor P niet tot een belemmering in het kader van de vrijheid van vestiging nu P voor zijn uitkering niet hoger wordt belast dan een in Nederland woonachtige belastingplichtige met eenzelfde uitkering. De rechtbank merkt op dat burgers in het algemeen in redelijkheid er niet op kunnen vertrouwen dat de belastingverdragen ongewijzigd zullen blijven. Dit houdt naar het oordeel van de rechtbank ook in dat Nederland niet verplicht is de voor P hogere belastingheffing voor hem zodanig te matigen dat daarmee de wijziging van het belastingverdrag voor hem per saldo geen gevolgen heeft.

De rechter is van mening dat er in dit geval geen sprake is van gelijke gevallen voor wat betreft de situatie van P en die van belastingplichtigen op wie het overgangsrecht wel van toepassing is. De laatste groep belastingplichtigen woonde ten tijde van het ondertekenen en bekend worden van het nieuwe belastingverdrag reeds in Duitsland en P niet. P kon weten dat zijn invaliditeitsuitkering op grond van het nieuwe verdrag in Nederland zou zijn belast. Belastingplichtigen die voor 2012 in al in Duitsland woonde konden dat niet.

De rechter verklaart het beroep van P ongegrond.

Commentaar

Volgens OESO-modelverdrag is een pensioen belast in de woonstaat. In nieuwe verdragen die Nederland afsluit met andere landen houdt Nederland zich het recht voor om als bronstaat ook te kunnen heffen over pensioen. In dat geval moeten deze pensioenen enig volume hebben. In het nieuwe verdrag met Duitsland is dit volume bepaald op € 15.000 per jaar. Omdat de heffing in Duitsland over pensioen veel lager is dan in Nederland is er voor belastingplichtigen die reeds voor 2012 in Duitsland woonde in een tariefreductie van toepassing.

P had tot en met 2016 geen last van het nieuwe belastingverdrag. Zijn invaliditeitsuitkering viel vanaf 2015 onder de lage heffing in Duitsland. P wilde de vanaf 2017 hogere belastingheffing in Nederland voorkomen, door te stellen dat zijn invaliditeitsuitkering geen pensioen is. Gezien de wettekst van artikel 18 Wet LB 1964 had zijn stelling geen enkele kans. Evenmin als zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van het overgangsrecht. Nu hij pas in 2015 vertrok naar Duitsland is hij niet te vergelijken met iemand die reeds voor 2012 in Duitsland woonde.

Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Zeeland – West-Brabant, 17 mei 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 2 september 2019.