Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Artikel 20 PW verbiedt wijziging van onvoorwaardelijke indexatie in voorwaardelijke indexatie voor reeds opgebouwde aanspraken en rechten

Artikel 20 PW verbiedt wijziging van onvoorwaardelijke indexatie in voorwaardelijke indexatie voor reeds opgebouwde aanspraken en rechten

24 januari 2020

Wijziging van onvoorwaardelijke naar voorwaardelijke toeslag laat de indexatie over de reeds opgebouwde aanspraken en rechten onverlet en beperkt deze niet tot de indexatie tot het moment van wijziging. Dat de cao in de wijziging voorziet, betekent niet dat gehandeld mag worden in strijd met artikel 20 Pensioenwet.

Onvoorwaardelijke indexatie

X trad op 1 november 1987 in dienst bij de rechtsvoorganger van A. Op zijn arbeidsovereenkomst is een cao van toepassing. Door een incorporatiebeding in de arbeidsovereenkomst is X gebonden aan de cao. De pensioenafspraken van (de rechtsvoorganger van) A met X liggen vast in de cao. X bouwde in eerste instantie pensioen op bij een pensioenverzekeraar op basis van een zogenoemde gemitigeerde eindloonregeling. De pensioenregeling voorziet na beëindiging van de deelneming in een onvoorwaardelijke indexering van de opgebouwde pensioenen. Maatstaf voor de indexering is de prijsindex van de gezinsconsumptie met een maximum van 3% per jaar.

Vanaf 1 januari 2001 brengt A de pensioenovereenkomst onder bij zijn ondernemingspensioenfonds. X gaat niet akkoord met de waardeoverdracht van zijn bij de pensioenverzekeraar opgebouwde aanspraken naar het ondernemingspensioenfonds. 

In 2011 wijzigt de cao waarbij de toeslagverlening van onvoorwaardelijk naar voorwaardelijk gaat. Tot 1 januari 2013 is het pensioen van X volledig geïndexeerd. X stapt naar de kantonrechter om ook voor de toekomst indexatie af te dwingen. Hij vordert een verklaring voor recht dat zijn tot 2001 bij de pensioenverzekeraar opgebouwde pensioenaanspraken onvoorwaardelijk worden geïndexeerd.

Kantonrechter wijst vordering af, hoger beroep bij het hof

De kantonrechter wijst de vorderingen van X af. X beriep zich namelijk op een artikel in het pensioenreglement dat van toepassing was op gewezen deelnemers, terwijl hij nog actieve deelnemer was. X tekent beroep aan bij het Gerechtshof Den Haag. 

Het hof stelt vast dat niet ter discussie staat dat de cao met ingang van 1 januari 2013 is gewijzigd in die zin dat de toeslagverlening van onvoorwaardelijk naar voorwaardelijk is gegaan. Anders dan X betoogde, wordt zijn recht op zijn bij de pensioenverzekeraar opgebouwde pensioenaanspraken en de indexatie daarvan volgens de kantonrechter wel degelijk beheerst door de achtereenvolgende cao’s. De pensioenovereenkomst die geldt tussen X en zijn werkgever A is in de achtereenvolgende cao’s neergelegd. Het hof verwijst daarbij naar de definitie van pensioenovereenkomst in de Pensioenwet; “hetgeen tussen een werkgever en een werknemer is overeengekomen betreffende pensioen”. Het hof concludeert dan ook dat de pensioenovereenkomst neergelegd in de achtereenvolgende cao’s dus ook geldt voor het pensioen dat X in dienst van (de rechtsvoorganger van) A bij de pensioenverzekeraar heeft opgebouwd. 

Het hof volgt X echter, ondanks het feit dat hij geen gewezen deelnemer is, wel in zijn standpunt dat artikel 20 Pensioenwet tot gevolg heeft dat een onvoorwaardelijk recht op indexatie, zijnde een pensioenaanspraak, niet (zonder instemming van de werknemer) kan worden gewijzigd in een voorwaardelijk recht op indexatie. Artikel 20 Pensioenwet luidt: “In geval van een wijziging van een pensioenovereenkomst worden de voor de aanspraakgerechtigden tot het tijdstip van wijziging opgebouwde pensioenaanspraken niet gewijzigd, behoudens het bepaald in de artikelen 76, 78, 83 en 134.”

Dat de cao voorziet in deze wijziging betekent volgens het hof niet dat gehandeld mag worden in strijd met het verbod van artikel 20 Pensioenwet en laat de rechten en aanspraken van X uit hoofde van dit artikel onverlet. Het standpunt van A, de pensioenverzekeraar en het ondernemingspensioenfonds dat het wijzigingsverbod van artikel 20 beperkt is tot de onvoorwaardelijke indexatie over het opgebouwde pensioen tot het moment van wijziging, wijst het hof af. Continuering van onvoorwaardelijke toeslagverlening over de reeds opgebouwde aanspraken of rechten behoort volgens het hof op grond van artikel 1 van de Pensioenwet tot die opgebouwde aanspraken en rechten. 

Het ondernemingspensioenfonds beriep zich nog op de uitvoeringsovereenkomst met A waarin staat dat het fonds slechts gehouden is de aanspraken van X voorwaardelijk te indexeren. Dit kan volgens het hof echter niet aan X worden tegengeworpen omdat X geen partij is bij de uitvoeringsovereenkomst. Dat door A geen premie voor de indexatie is betaald, maar dat deze wordt gefinancierd uit de overrente die A van de pensioenverzekeraar ontvangt, kan evenmin aan X worden tegengeworpen. 

Het hof concludeert dat niet kan worden aanvaard dat de pensioenovereenkomst rechtsgeldig is gewijzigd. Het hof is van oordeel dat de door X opgebouwde pensioenaanspraken bij de pensioenverzekeraar onvoorwaardelijk geïndexeerd moeten worden krachtens de indexatiemaatstaf uit het pensioenreglement (de CPI). A moet deze indexatie financieren. Het hof wijst de vordering van X op dit punt toe. De soortgelijke vordering tegen het ondernemingspensioenfonds wijst het hof af. X heeft onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat het ondernemingspensioenfonds jegens X verantwoordelijk is voor de uitvoering van het pensioenreglement van de pensioenverzekeraar, terwijl er geen waardeoverdracht heeft plaatsgevonden van het pensioen dat uit hoofde van de regeling bij de pensioenverzekeraar is opgebouwd aan het ondernemingspensioenfonds. 

Commentaar

Artikel 20 Pensioenwet stelt dat in geval van wijziging van een pensioenovereenkomst de voor een aanspraakgerechtigde tot het tijdstip van de wijziging opgebouwde aanspraken niet wijzigen, tenzij er sprake is van waardeoverdracht. Waardeoverdracht was hier niet het geval. Een onvoorwaardelijke toeslag is een pensioen in de zin van de Pensioenwet en kan dus niet meer worden gewijzigd voor tot het moment van wijziging van de pensioenregeling opgebouwde aanspraken. Wél voor de vanaf dat moment op te bouwen aanspraken. Maar de opgebouwde aanspraken moet dus tot in lengte van jaren worden geïndexeerd op basis van de indertijd overeengekomen onvoorwaardelijke toeslag. Voor zover de overrente daarvoor onvoldoende is, moet de werkgever voor de financiering opdraaien. En strikt genomen, moet hij de toekomstige onvoorwaardelijke indexatie voor alle deelnemers in één keer affinancieren. De werkgever en het ondernemingspensioenfonds realiseerden zich dit terdege, gezien het verweer dat dit leidt tot ernstige financiële gevolgen, een enorme daling van de dekkingsgraad van het pensioenfonds, korting van het pensioen voor alle betrokkenen, instabiel arbeidsvoorwaardenoverleg, mogelijke faillissementen en grote gevolgen voor alle pensioenuitvoerders met onvoorwaardelijke indexatie op 1 januari 2007. Het hof vindt dit echter onvoldoende toegelicht en gaat hier dus niet in mee.

Zie ook ons bericht van 26 september 2019 voor een soortgelijke zaak met eenzelfde oordeel van de rechter.

Tenslotte is deze uitspraak interessant in de discussie rond het nieuwe pensioenstelsel en de vraag of er bij pensioenfondsen sprake zou moeten zijn van (verplicht) invaren van oude rechten in het nieuwe contract. Het nieuwe contract kent geen nominale zekerheid of onvoorwaardelijke indexatie meer. Artikel 20 Pensioenwet is echter uitdrukkelijk niet van toepassing verklaard als sprake is van een collectieve waardeoverdracht op grond van artikel 83 Pensioenwet.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis 

Bron: Hof Den Haag, 21 januari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:25

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 24 januari 2020.