Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Backservice bij vrijwillige waardoverdracht?

5 oktober 2018

A bedingt bij indiensttreding van zijn werkgever dat hij zijn C-polis kan voortzetten op basis van eindloon. Daarna volgt een vrijwillige waardoverdracht. A claimt dat zijn werkgever de extra kosten van de waardeoverdracht moet dragen en backservice moet betalen over de extra ingekochte diensttijd. Het Hof honoreert de afspraken die A en zijn werkgever hierover gemaakt hebben.

Vrijwillige waardeoverdracht

Als A in dienst treedt bij G BV heeft hij pensioen opgebouwd bij het Bedrijfstakpensioenfonds voor de Metalektro (hierna: Bpf) en AXA. Het pensioen bij AXA is  een eindloonregeling die verzekerd is in een zogenaamde C-polis. Bij zijn in diensttreden bedingt A dat hij niet deelneemt in de collectieve pensioenregeling van G BV maar door G BV in staat wordt gesteld om zijn C-polis bij AXA voort ter zetten. A en G BV komen overeen dat de premies van deze pensioenverzekering voor rekening van G BV komen. Van 1 december 1992 tot 1 juli 2012 werkt A bij G BV.

In 2007 vraagt A aan het Bpf om waardeoverdracht van zijn pensioenaanspraken naar AXA. Het Bpf werkt in eerste instantie niet mee omdat er geen verplichting tot waardeoverdracht bestaat. Later werkt het Bpf wel mee aan een vrijwillige waardeoverdracht. AXA informeert A en G BV dat bij de waardeoverdracht 13 jaar en 9 maanden diensttijd wordt ingekocht en dat de werkgever € 28.806 aan kosten is verschuldigd. A en G BV komen overeen dat G BV meewerkt aan de vrijwillige waardeoverdracht maar dat de kosten hiervoor volledig door A worden gedragen.

In 2008 en 2009 praten A en G BV nog enkele keren over de financiële consequenties van de waardeoverdracht. In de jaren 2009 tot en met 2011 houdt G BV ruim € 7.000 eigen bijdrage pensioen in op het loon van A. Nadat het dienstverband in 2012 eindigt vordert A van G BV dat zij de kosten van de waardeoverdracht en de eigen bijdrage pensioen van A aan hem terugbetaalt. A vindt dat hij recht heeft op een pensioen van 70% van zijn laatstgenoten salaris en dat G BV daar alle kosten voor moet voldoen.

Backservicelast over extra dienstjaren

A stelt dat hij  recht heeft op backservice over de extra pensioenjaren die hem zijn toegekend als gevolg van de waardeoverdracht van BPF. G BV bestrijdt dit omdat het ging over een vrijwillige waardeoverdracht en dat met A is afgesproken dat de waardeoverdracht G BV niets zou kosten.

Volgens het Hof is het niet G BV maar A die de pensioenovereenkomst met AXA heeft gesloten. A heeft G BV nooit op de hoogte gesteld van de inhoud van de regeling. G BV was slechts de premiebetaler. Het Hof stelt vast dat bij de vrijwillige waardeoverdracht medewerking van de werkgever nodig was. G BV stelde aan haar medewerking  voorwaarden vanwege de financiële gevolgen van de waardeoverdracht voor haar. In de brief die G BV op 26 mei 2008 aan AXA zond, stond het volgende vermeld:

(…) dat de afspraken over de pensioentoezeggingen aan de heer A ongewijzigd zijn voor wat betreft de pensioenregeling van voor de waardeoverdracht. De eenmalige koopsom en eventuele indexeringen naar de toekomst toe zijn voor het deel wat is overgedragen goedgekeurd. Backservice over het overgedragen deel is niet van toepassing. (…)”. 

A heeft deze brief ook voor akkoord ondertekend. A slaagt er volgens het Hof niet in om te bewijzen dat hij niet begreep wat er in die brief met “backservice” werd bedoeld. Dit blijkt volgens het Hof weldegelijk uit de correspondentie van AXA. En tevens is de waardeoverdracht een actie van A en kan hij G BV niet tegenwerpen dat deze bepaalde begrippen niet uitlegt. Het Hof concludeert dat G BV geen backservicelast heeft ten aanzien van de ingekochte dienstjaren bij een verhoging van het salaris.

Inhoudingen op het loon

A had met G BV afgesproken dat zijn pensioenregeling premievrij zou zijn. Volgens hem is bij de waardeoverdracht afgesproken dat de kosten van de indexatie over de extra diensttijd voor rekening van G BV zouden komen.

Volgens G BV heeft de premievrijstelling alleen betrekking op het bij G BV op te bouwen pensioen en is bij de waardeoverdracht afgesproken dat de kosten voor indexering van de jaren die het gevolg waren van de waardeoverdracht voor rekening zouden komen van A. G BV doet tevens een beroep op rechtsverwerking. Het Hof is van oordeel dat G BV terecht een beroep doet op rechtsverwerking. A heeft jarenlang geaccepteerd dat er premies op zijn loon werden ingehouden. G BV heeft meerdere keren in correspondentie aan A laten weten dat de extra kosten op hem zouden worden verhaald. Op grond hiervan wijst het Hof de eis van terugbetaling van de eigen bijdrage ook af.

Commentaar

Omdat het pensioen bij het Bpf was opgebouwd vóór 8 juli 1994 had A geen wettelijk recht op waardeoverdracht. Het Bpf noch de werkgever waren verplicht om mee te werken aan de waardeoverdracht. Een werkgever zal niet altijd meewerken aan een vrijwillige waardeoverdracht omdat dit kan leiden tot extra kosten. Dit komt doordat de lasten die verband houden met het verschil tussen tariefrente (de rente waartegen de extra diensttijd wordt ingekocht) en rekenrente (marktrente bij berekening van de overdrachtswaarde) voor rekening van de werkgever komt. In dit geval waren de kosten hiervoor bijna € 30.000. G BV wilde alleen meewerken als ze deze kosten kon verhalen op A. Hierover maakten A en G BV afspraken. De rechter honoreert deze afspraken.

Uit deze casus blijkt dat het niet makkelijk is om te zeggen dat waardeoverdracht een voordelige zaak is. A beklaagde zich dat hij ondanks de betaling van ongeveer € 30.000 niets was opgeschoten met de waardeoverdracht. Hij vond dat G BV hem daarover niet goed had geïnformeerd. Het Hof maakte korte metten met die klacht en zei letterlijk: “Gelet op de in dit geding aan de orde zijnde omstandigheden had A zelf nadere inlichtingen moeten inwinnen over de met G BV te maken afspraken, ofwel bij Axa ofwel bij een deskundige.” Wij sluiten ons graag bij het Hof aan dat waardeoverdracht een deskundig advies verdient.

Door het oordeel van het Hof doet zich wel iets vreemd voor. De waardeoverdracht leidt tot ruim 13 jaren extra diensttijd. In een eindloonregeling gaat de backservice ook over deze extra diensttijd. Maar deze hoeft niet door de werkgever te worden betaald. Wie betaalt de backservice dan wel? Het was duidelijker geweest als  G BV en A bij de waardeoverdracht de pensioenovereenkomst zodanig hadden aangepast dat de extra diensttijd werd uitgesloten voor backservice. Of kan de brief die G BV aan AXA stuurde en die ook door A was ondertekend, worden aangemerkt als addendum op de pensioenovereenkomst?  

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 25 september 2018

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 3 oktober 2018.