Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Belastbaarheid pensioenuitkeringen kan niet verdeeld worden tussen partners

30 oktober 2019

X krijgt pensioenuitkeringen van het ABP. Hij wil zijn pensioeninkomsten voor de inkomstenbelasting gedeeltelijk toewijzen aan zijn echtgenoot. Na de belastingdienst en de rechtbank wijst het hof dit ook af.

Pensioenuitkering op gemeenschappelijke bankrekening

X is geboren in 1940. Hij krijgt sinds 1 mei 2004 een pensioenuitkering van de Stichting Pensioenfonds ABP (hierna: ABP). Dit pensioen heeft hij opgebouwd tijdens zijn dienstverband met O. Het ABP maakte de pensioenuitkeringen over op de gemeenschappelijke bankrekening van X en zijn echtgenote. X en zijn echtgenote zijn in algehele gemeenschap van goederen getrouwd. De echtgenote van X genoot geen looninkomsten of pensioenuitkeringen.

Volgens X moeten de pensioenuitkeringen voor de helft bij zijn echtgenote in aanmerking worden genomen voor de inkomstenbelasting. X gaat na een afwijzing door de belastingdienst en de rechtbank in hoger beroep.

Gemeenschap van goederen irrelevant voor de inkomstenbelasting

Bij het gerechtshof stelt X dat zijn pensioenaanspraak op het ABP in de gemeenschap van goederen valt die tussen hem en zijn echtgenote bestaat op grond van het ten tijde van het aangaan van het huwelijk tussen hem en echtgenote geldende civiele recht. Hij verbindt, zo begrijpt het hof, daaraan conclusie dat de helft van zijn pensioenuitkeringen bij zijn echtgenote in de heffing van inkomstenbelasting moet worden betrokken.

Het hof gaat – net als de rechtbank en de belastingdienst - niet mee in argumenten en de conclusie van X. Volgens het hof kunnen X en zijn echtgenote er niet voor kiezen de helft van de pensioenuitkeringen bij de echtgenote in aanmerking nemen. Dit volgt uit de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB). Op grond van artikel 3.81 van de Wet IB worden (pensioen)uitkeringen die genoten worden uit een vroegere dienstbetrekking onder loon begrepen.

Het hof: “Het pensioen van het ABP vloeit voort uit de werkzaamheden die belanghebbende in dienstbetrekking heeft verricht en belanghebbende heeft de volledige pensioenuitkeringen van het ABP ontvangen op een door hem opgegeven bankrekening. Zijn echtgenote heeft de pensioenuitkeringen in fiscale zin niet genoten. Dat zij medegerechtigd is tot het vermogen waartoe de uitkeringen vanaf het moment van genieten zijn gaan behoren, doet daaraan niet af, evenals de omstandigheid dat de pensioenuitkeringen zijn overgemaakt op een gemeenschappelijke bankrekening van belanghebbende en zijn echtgenote.”

Artikel 2.17 Wet IB bepaalt dat inkomensbestanddelen van de belastingplichtige en zijn partner in aanmerking worden genomen bij degene door wie de inkomensbestanddelen zijn genoten of op wie deze drukken. Het vijfde lid van artikel 2.17 geeft een limitatieve opsomming van inkomsten die fiscaal partners kunnen verdelen. Pensioenuitkeringen worden daarin niet genoemd.

X en zijn echtgenote kunnen er daarom niet voor kiezen de helft van de pensioenuitkeringen bij de echtgenote in aanmerking nemen.

Commentaar

Het blijft bijzonder dat een geschil zoals dat van X en zijn echtgenote nog steeds voorkomt en zelfs tot een hoger beroep komt. Bijzonder, omdat de wet hierover duidelijk is. De Wet IB beschrijft welke gemeenschappelijke inkomensbestanddelen verdeeld mogen worden tussen fiscaal partners.

Dat zijn de belastbare inkomsten uit de eigen woning, inkomen uit aanmerkelijk belang en de persoonsgebonden aftrek. Pensioeninkomsten zijn volgens de belastingwetgever loon uit vroegere dienstbetrekking. Die inkomsten staan toch echt niet in de limitatieve opsomming van gemeenschappelijke inkomensbestanddelen in artikel 2.17, vijfde lid van de Wet IB. Ook niet wanneer deze looninkomsten (al of niet uit een vroegere dienstbetrekking) gestort worden op een gemeenschappelijke bankrekening of dat er sprake is van algehele gemeenschap van goederen.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 30 oktober 2019

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 oktober 2019