Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Belastingheffing over pensioen ESA

24 december 2015

Rechtbank Den Haag beslist dat een pensioenuitkering van het European Space Agency (ESA) op de juiste wijze is belast. Namelijk in overeenstemming met het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2009. Dit levert een vreselijk ingewikkelde berekening op… 

Hoge Raad: periode van opbouw pensioen bepalend

Sinds 1 januari 2001 is de systematiek van belastingheffing over buitenlandse pensioenen overzichtelijk. Vanaf deze datum beschouwt de Wet op de inkomstenbelasting een buitenlandse pensioenregeling als een pensioenregeling onder de volgende voorwaarden:

  • de pensioenregeling moet volgens de belastingwetten van dat land ook als pensioenregeling wordt beschouwd; en
  • de belastingwetten van dat land moeten naar aard en strekking overeenkomen met de Nederlandse loon- of inkomstenbelasting.

Als de pensioenopbouw fiscaal gefacilieerd was, zijn de uitkering belast in box 1. 

Voor pensioenen opgebouwd vóór 1 januari 2001 gelden diverse overgangsregelingen. De Hoge Raad werkte het hele systeem in detail uit in het arrest van 16 januari 2009. En hier wordt het ingewikkeld. 

De Hoge Raad maakte in dat arrest onderscheid naar de periodes waarin het pensioen is opgebouwd. In hoofdlijn betekent dat het volgende. 

1.    Pensioenopbouw vóór 1 januari 1995

  • Wel gefacilieerde pensioenopbouw: uitkeringen belast in box 1. 
  • Geen gefacilieerde pensioenopbouw: saldomethode tot 1 januari 2021. 

Dit betekent dat de uitkeringen belast zijn voor zover ze het bedrag van de niet fiscaal gefacilieerde premies overschrijden. Op 1 januari 2021 gaat de aanspraak over naar box 3. De saldomethode wordt dan op 1 januari 2021 eenmalig toegepast. Het verschil tussen de contante waarde van de pensioenaanspraak en de nog niet verrekende premies wordt dan belast.

2.    Pensioenopbouw van 1 januari 1995 tot 14 september 1999 

  • Wel gefacilieerde pensioenopbouw: uitkeringen belast in box 1. 
  • Geen gefacilieerde pensioenopbouw: saldomethode tot 1 januari 2021. 

 

3.    (a) Pensioenopbouw van 14 september 1999 tot 1 januari 2001 voor zover het bedrag van de premies niet hoger is dan € 2.269

  • Belast in box 1.

 

3.    (b) Pensioenopbouw van 14 september 1999 tot 1 januari 2001 voor zover het bedrag van de premies hoger is dan € 2.269

  • Wel gefacilieerde pensioenopbouw: uitkeringen belast in box 1. 
  • Geen gefacilieerde pensioenopbouw: saldomethode tot 1 januari 2021.

 

4.    Pensioenopbouw op en na 1 januari 2001

  • Wel gefacilieerde pensioenopbouw: uitkeringen belast in box 1.
  • Geen gefacilieerde pensioenopbouw: belast in box 3.

Rechtbank over belastingheffing over pensioen ESA

Meneer X werkte tussen 1984 en 2000 bij het ESA. Vanaf 1 september 2000 ontvangt hij een pensioenuitkering van ruim € 41.300 (het ESA-pensioen). X maakte in 2007 bezwaar tegen de belastingheffing over zijn pensioenuitkering. Hij vond dat zijn pensioenuitkering belast moest worden volgens de hierboven beschreven methodiek van de Hoge Raad. X splitste zijn ESA-pensioen in drie delen:

I.    Pensioenopbouw vóór 1 januari 1995;
II.    Pensioenopbouw van 1 januari 1995 tot 14 september 1999 plus pensioenopbouw van 14 september 1999 tot einde dienstbetrekking voor zover het bedrag van de premies niet hoger is dan € 2.269;
III.    Pensioenopbouw van 14 september 1999 tot einde dienstbetrekking voor zover het bedrag van de premies hoger is dan € 2.269.

Deel I
Volgens X was de pensioenregeling van ESA in de periode tot 1995 onzuiver met als gevolg: onbelaste uitkeringen. Volgens de rechtbank moet X dit aantonen maar slaagde hij daar niet in. Hij kon de toen geldende pensioenregeling niet overleggen. De rechtbank kon daarom de juistheid van de stelling van X niet toetsen. De rechtbank oordeelt dan ook dat X niet slaagt om aannemelijk te maken dat de ESA-pensioenregeling in die periode onzuiver was. 

Deel II
Als er sprake zou zijn van toepassing  van de saldomethode, had dat in de eerste jaren van de pensioenuitkering verrekend moeten worden. Volgens de rechtbank is niet aannemelijk dat in het betreffende jaar van de procedure (2007, het achtste jaar dat X pensioenuitkeringen ontvangt) nog een te verrekenen saldo bestaat. X kon het tegendeel niet aannemelijk maken. Hij heeft, ondanks meerdere verzoeken van de inspecteur, geen bewijsmiddelen overgelegd waaruit het tegendeel blijkt.  

Deel III
Ook voor dit deel volgt de rechtbank de inspecteur. Deze stelt namelijk dat over een klein deel van de pensioenuitkering toe te rekenen aan de periode vanaf 14 september 1999 de splitsingsmethode moeten worden toegepast. Maar het gaat om een zeer gering bedrag en er moeten buitengewoon complexe berekeningen voor gemaakt worden. Om doelmatigheidsredenen is hieraan voorbijgegaan.
X doet in de procedure tevens beroep op het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Ook hierin geeft de rechtbank hem geen gelijk.  

Conclusie

Wie stelt, die bewijst. Deze hoofdregel van de bewijslastverdeling in het procesrecht speelt in deze procedure een hoofdrol. De rechtbank kon niet tot een inhoudelijk oordeel komen omdat geen van de stellingen van X onderbouwd konden worden. De inspecteur kreeg gelijk. 

Als we kijken naar de inhoud van de procedure, zal het duidelijk zijn dat dit een bijzonder ingewikkelde berekening betreft. Om deze berekeningen te kunnen maken, moet over de hele opbouwperiode van het pensioen onder meer bekend zijn welk deel van het pensioen aan welke periode moet worden toegerekend, wat het bedrag van de werkgevers- en werknemerspremies is geweest, wat de waarde van de pensioenaanspraak is en hoe de fiscale faciliteit is geweest gedurende de opbouwfase van het pensioen etc. In zoverre is het ook niet zo raar dat X geen onderbouwing voor zijn stellingen had. 

Auteur:  Erik Schouten, adviseur internationale pensioenen Aegon Adfis

Bronnen:  

  • Uitspraak Rechtbank Den Haag, ECLI:NL:RBDHA:2015:12811, uitspraak 14 september 2015.
  • Arrest Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2009:BF7264, 16 januari 2009.
  • C.L.J.R. Douven, Wonen in Nederland met een buitenlandse toekomstvoorziening, Vakblad Financiële Planning, 2014/16.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 24 december 2015.