Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Belastingplichtige komt goed weg bij afzien stamrecht

2 februari 2016

Een belastingplichtige ziet af van uitkering van het stamrecht dat hij heeft bedongen van zijn BV. De inspecteur en de Rechtbank stellen het afzien gelijk aan afkoop van het stamrecht. Maar in hoger beroep stelt het Gerechtshof dat er geen sprake is van een nieuw feit. 

Rechtbank Den Haag 

D heer A (10-01-1942) bedingt in 1991 een (loon)stamrecht van zijn BV. Volgens de stamrechtovereenkomst moet de BV een lijfrente uitkeren vanaf zijn 65 jarige leeftijd. De BV heeft ook pensioen van A in eigen beheer. Vanaf 1991 keert de BV jaarlijks bedragen uit aan A. Tot en met 2008 brengt de BV deze bedragen ten laste van de winst. De bedragen geeft A in zijn aangifte inkomstenbelasting aan als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. 

In 2007 en 2008 brengt de BV grote bedragen in mindering op de stamrechtverplichting. De inspecteur legt over 2007 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op. Volgens de inspecteur heeft A zijn recht op stamrechtuitkeringen (gedeeltelijk) prijsgegeven. De inspecteur belast daarom de waarde van het stamrecht als loon uit vroegere dienstbetrekking. A maakt bezwaar tegen de navorderingsaanslag. Hij stelt dat hij al vanaf 1991 stamrechtuitkeringen ontvangt.  

De Rechtbank vindt het niet aannemelijk dat A tot 2008 stamrechtuitkeringen ontving. Onder meer omdat A de uitkeringen die hij ontving van de BV in zijn aangiften heeft verantwoord als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. Ook in de aangiften vennootschapsbelasting van de BV zijn deze bedragen als zodanig verantwoord en ten laste van de fiscale winst gebracht en niet ten laste van de stamrechtverplichting. Omdat de inspecteur de betalingen tot en met 2006 heeft  geaccepteerd als stamrechtuitkeringen - en deze betalingen tussen partijen niet ter discussie staan – gaat de  Rechtbank ervan uit dat het stamrecht in 2001 is ingegaan. De Rechtbank stelt vast dat de BV na 2006 geen uitkeringen meer heeft gedaan uit hoofde van het stamrecht. A heeft ook geen initiatief genomen in verband met de slechte vermogenspositie van de BV om in overleg te treden met de inspecteur  inzake het vervolg van de stamrechtuitkeringen. Volgens de Rechtbank heeft dit tot gevolg dat A in 2007 heeft afgezien van verdere stamrechtuitkeringen. En moet de volledige waarde van het stamrecht in 2007 worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking. 

In ons nieuwsbericht van 6 augustus 2015 gingen wij in op de uitspraak van de Rechtbank.

A ging in beroep tegen de uitspraak.

Gerechtshof Den Haag 

Het Hof constateert dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB 2007 de aanslag Vpb 2007 niet heeft geraadpleegd. Had hij dat wel gedaan dan had hij gezien dat de BV in 2007  de stamrechtvoorziening met een groot bedrag (€ 227.967) had afgewaardeerd. Deze afwaardering werd niet tot de winst van de BV gerekend. Ook de inspecteur Vpb heeft geen nader onderzoek ingesteld naar de afwaardering van de stamrechtverplichting.  

In de procedure is niet gebleken dat A te kwade trouw was. Er is ook niet gesteld dat het gevolg voor de inkomstenbelasting, door het niet juist aangeven van de afname, voor A redelijkerwijs kenbaar was. Op die gronden concludeert het Hof dat de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan en er geen sprake is van een nieuw feit. De navorderingsaanslag kan daarom niet in stand blijven. 

Commentaar 

Zowel de inspecteur, de Rechtbank en het Hof zijn het erover eens dat A heeft afgezien van zijn stamrecht. Volgens de Wet LB 1964 leidt afzien van een stamrecht tot een loonheffing over de waarde en 20% revisierente. Maar in dit geval komt de belastingplichtige goed weg. Het Hof vindt dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag niet zorgvuldig genoeg is geweest. Er is geen sprake van nieuw feit. Hierdoor kan aan A geen navorderingsaanslag worden opgelegd. 

 

Auteur: Paul Lavrijssen, Adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Den Haag, d.d. 20 januari 2016 

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 29 januari 2016