Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Belastingplichtige komt toch niet goed weg bij afzien stamrecht

29 november 2018

Een belastingplichtige ziet af van uitkering van het stamrecht dat hij bedong van zijn BV. Nadat het Hof eerder de belastingplichtige in het gelijk stelde, stelt het verwijzingshof dat de waarde van het stamrecht belast is. Het cassatieberoep van de belastingplichtige acht de A-G ongegrond. 

Wel of geen nieuw feit 

In ons bericht van 2 februari 2016 gingen we in op deze procedure voor het Gerechtshof Den Haag. Het Hof concludeerde toen dat het afzien van het stamrecht niet belast was omdat er geen sprake was van een nieuw feit.  De zaak is als volgt.

A, geboren op 10-01-1942 bedingt in 1991 een (loon)stamrecht van zijn BV. Volgens de stamrechtovereenkomst moet de BV een lijfrente uitkeren van € 74.852 per jaar vanaf zijn 65 jarige leeftijd. De BV heeft ook pensioen van A in eigen beheer. Vanaf 1991 keert de BV jaarlijks bedragen uit aan A(A is dan 48 jaar). Tot en met 2008 (A is dan 66 jaar) brengt de BV deze bedragen ten laste van de winst. De bedragen geeft A in zijn aangifte inkomstenbelasting aan als loon uit tegenwoordige dienstbetrekking. 

In 2007 en 2008 brengt de BV grote bedragen in mindering op de stamrechtverplichting. De inspecteur legt over 2007 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting op. Volgens de inspecteur heeft A zijn recht op stamrechtuitkeringen (gedeeltelijk) prijsgegeven. De inspecteur belast daarom de waarde van het stamrecht als loon uit vroegere dienstbetrekking. A stelt dat hij al vanaf 1991 stamrechtuitkeringen ontvangt. 

Het Gerechtshof Den Haag constateerde dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag IB 2007 de aanslag Vennootschapsbelasting 2007 niet heeft geraadpleegd. Had hij dat wel gedaan dan had hij gezien dat de BV in 2007 de stamrechtvoorziening met een groot bedrag (€ 227.967) had afgewaardeerd. Deze afwaardering werd niet tot de winst van de BV gerekend. Ook de inspecteur vennootschapsbelasting heeft geen nader onderzoek ingesteld naar de afwaardering van de stamrechtverplichting. 

In de procedure bleek niet dat A te kwade trouw was. Er  was niet gesteld dat het gevolg voor de inkomstenbelasting, door het niet juist aangeven van de afname van de verplichting voor de vennootschapsbelasting, voor A redelijkerwijs kenbaar was. Op die gronden concludeerde het Hof dat de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan en er geen sprake is van een nieuw feit. De navorderingsaanslag kon daarom niet in stand blijven. 

De minister ging vervolgens in cassatie. In cassatie stelde de Hoge Raad en vervolgens het verwijzingshof dat de inspecteur niet de verplichting heeft om ook de dossiers op het gebied van de vennootschapsbelasting te raadplegen. Het verwijzingshof besloot dat A in 2007 heeft afgezien van zijn stamrechtuitkering terwijl deze wel voor verwezenlijking vatbaar was. De inspecteur heeft volgens het verwijzingshof de waarde van het stamrecht eerder lager dan te hoog vastgesteld. Nu gaat A gaat tegen deze uitspraak in cassatie bij de Hoge Raad.

Wanneer is afgezien van het stamrecht? 

In cassatie stelt A dat het verwijzingshof onterecht heeft geconcludeerd dat in 2007 is afgezien van het stamrecht. Als er sprake is van afzien van het stamrecht heeft dat volgens A niet plaatsgevonden in 2007, maar eerder of later. Tevens stelt A dat de waarde van het stamrecht lager ligt dan het door de inspecteur belaste bedrag.

De Advocaat Generaal (A-G) stelt vast dat A op 10 januari 2007 de 65-jarige leeftijd bereikte. Uit de uitspraak van het verwijzingshof blijkt dat A niet heeft aangetoond dat hij of de BV de in 1991 overeengekomen stamrechtovereenkomst heeft gewijzigd. Daarom moest in 2007 de stamrechtuitkering van € 74.852 per jaar ingaan. Dit oordeel is van feitelijke aard en kan volgens de A-G in cassatie niet met vrucht worden bestreden. 

A stelt dat de BV in de jaren vóór 2007 meer heeft uitgekeerd dan haar inkomsten. Volgens hem teerde hij door de jaarlijkse uitkeringen in op het stamrechtvermogen. Dit betekent volgens A dat hij in strijd met de voorwaarden van de stamrechtvrijstelling heeft gehandeld en dat in een eerder jaar dan 2007 de stamrechtaanspraak aangemerkt had moeten worden als loon uit vroegere dienstbetrekking. Volgens het verwijzingshof heeft A niet aangetoond dat de uitkeringen van de BV vóór 2007 moeten worden aangemerkt als stamrechtuitkeringen. Daar doet niet aan af, dat de inspecteur bij de waardering van het stamrecht voor de naheffing ervan uitging dat er al een aantal jaar een stamrechtuitkering was gedaan van € 100.000 per jaar. Ook dit oordeel van het Hof is volgens de A-G van feitelijke aard en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.

A stelt dat de waarde van het stamrecht veel lager is dan de waarde die de inspecteur in acht heeft genomen. Op grond van het vermogen van de BV in 2007 was volgens A een groot deel van het stamrecht niet voor verwezenlijking vatbaar. De A-G stelt dat volgens de wetsgeschiedenis een stamrechtaanspraak niet voor verwezenlijking vatbaar is wanneer er dwingende maatschappelijke redenen zijn om af te zien van de stamrechtaanspraak. Dit kan het geval zijn bij faillissement, surseance van betaling en schuldsanering. A heeft niets aangevoerd omtrent dwingende maatschappelijke redenen waardoor de stamrechtaanspraak (geheel of voor een deel) niet voor verwezenlijking vatbaar is. Daarom moet de waarde van de stamrechtaanspraak gesteld worden op het bedrag dat op dat moment bij een derde gestort zou moeten worden om de stamrechtaanspraak te dekken. Gelet op de omstandigheid dat A op grond van de stamrechtovereenkomst vanaf 2007 een periodieke uitkering van € 74.852 per jaar zou ontvangen en de inspecteur is uitgegaan van een periodieke uitkering van € 23.500 per jaar, is het oordeel van het Hof dat de in aanmerking te nemen waarde van de stamrechtaanspraak veel hoger ligt dan € 355.588 niet onbegrijpelijk.

De A-G adviseert de Hoge Raad het beroep in cassatie van A ongegrond te verklaren.

Commentaar 

In ons bericht van 2 februari 2016 concludeerden wij dat de belastingplichtige goed weg kwam omdat het Hof vond dat de inspecteur bij het opleggen van de aanslag niet zorgvuldig genoeg was geweest. De Hoge Raad en het verwijzingshof vonden echter dat de inspecteur de aanslag Vpb niet hoefde te raadplegen waardoor er geen sprake was van een ambtelijk verzuim. In de door A ingestelde cassatie probeerde hij de dans nog te ontspringen door aan te geven dat het afzien niet in 2007 had plaatsgevonden. De A-G is van mening dat het verweer van A deels van feitelijke aard is en dat er op grond van de wet wel degelijk sprake is van afzien in 2007. Volgens de wet moet dan rekening worden gehouden met de waarde die een derde zou moeten storten bij een verzekeringsmaatschappij.

Uit de procedure valt op te maken dat A wel heel slordig is omgesprongen met het uitvoeren van de stamrechtovereenkomst. Bij de naheffing was de inspecteur nog erg coulant door bij de bepaling van de waarde van het stamrecht te veronderstellen dat A al stamrechtuitkeringen had genoten. Deze opstelling leidde er bijna toe dat de naheffingsaanslag in 2007 niet kon worden opgelegd. Maar het verwijzingshof hield geen rekening met de opvattingen van de inspecteur en kwam tot conclusie dat A wel degelijk in 2007 bewust of onbewust had afgezien van het stamrecht. Uit de oordelen van het verwijzingshof en de A-G kan worden opgemaakt, dat het voor afzien van aanspraken niet nodig is dat de gerechtigde formeel afziet van de uitkeringen maar dat ook het niet claimen van nakoming van de stamrechtaanspraak voldoende is. 

Auteur: Paul Lavrijssen, Adviseur Aegon Adfis

Bron: Parket bij de Hoge Raad, 30 oktober 2018

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 28 november  2018