Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

België mag niet inhouden op pensioenuitkering aan niet-inwoner

14 december 2016

Het Europese Hof van Justitie oordeelt dat de inhoudingen door België op aanvullende pensioenen in strijd zijn met het EU-recht wanneer de begunstigde niet in België woont.

De situatie van Willem Hoogstad

De Nederlander Willem Hoogstad was van 1 november 1996 tot en met 31 december 2004 in dienst van een Belgische werkgever. Daar bouwde hij twee aanvullende pensioenen op. Nadat Hoogstad stopte met werken, vestigde hij zich in 2007 samen met zijn Ierse echtgenote in Ierland. Toen Hoogstad in februari 2008 60 jaar werd, ontving hij de kapitalen van de twee Belgische aanvullende pensioenregelingen.

De Belgische pensioenfondsen verrichten op deze kapitalen twee wettelijke inhoudingen. Ten eerste een inhouding van 3,55% voor een ziekte- en invaliditeitsverzekering ten gunste van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV). Ten tweede een solidariteitsbijdrage van 2% voor de Rijksdienst voor Pensioenen (RvP).  

Hoogstad was het niet eens met deze inhoudingen en eiste terugbetaling. Hij betoogde dat hij op de datum van de uitbetaling van de pensioenkapitalen niet aan de Belgische socialezekerheidswetgeving was onderworpen. Hij krijgt gelijk: de rechter oordeelt dat hij op het moment van uitbetalen niet onderworpen was aan de Belgische sociale zekerheidswetgeving en dat de inhoudingen in strijd zijn met de sociale zekerheidsverordening (verordening nr. 1408/71). In beroep bevestigt de rechter dit oordeel. De RvP gaat, gesteund door de RIZIV, in cassatie.

Het Belgische Hof van Cassatie stelde prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie (het Hof). Het Hof van Cassatie wilde weten of verordening nr. 1408/71 het toestaat om sociale bijdragen in te houden op pensioenuitkeringen, zelfs wanneer de begunstigde buiten België woont en valt onder het stelsel van de sociale zekerheid van zijn woonstaat.

Procedure bij het Hof

Het Hof komt tot de conclusie dat de inhoudingen door België op twee aanvullende pensioenen van Hoogstad in strijd zijn met het EU-recht. Het Hof wijst er op dat België de inhoudingen zelfs verricht als de begunstigde van de aanvullende pensioenen niet in België woont, en hij onderworpen is aan de sociale wetgeving van de andere lidstaat waar hij woont.

Het Hof constateert dat wanneer een nationale wettelijke regeling een heffing als „belasting” kwalificeert, dit niet betekent dat dit daardoor buiten de werkingssfeer van verordening nr. 1408/71 valt. Bovendien oordeelde het Hof in een eerder arrest dat heffingen die worden berekend over inkomsten uit vermogen binnen de werkingssfeer van deze verordening kunnen vallen. Voorwaarde hierbij is dat de opbrengsten van deze heffingen rechtstreeks en specifiek bestemd zijn voor de financiering van bepaalde onderdelen van de sociale zekerheid in de betrokken lidstaat.

Dezelfde conclusie trekt het Hof in de zaak van Hoogstad. De betreffende heffingen vinden plaats op uitkeringen uit aanvullende pensioenregelingen. En de opbrengst van deze bijdragen is rechtstreeks en specifiek bestemd voor de financiering van bepaalde onderdelen van de sociale zekerheid in België. 

Verordening nr. 1408/71

Volgens het Hof is deze conclusie ook logisch gezien de doelstelling van verordening nr. 1408/71. Het uitgangspunt is gelijke behandeling ten aanzien van nationale wettelijke regels van werknemers wanneer zij gebruik maken van het recht op vrij verkeer van werknemers. Verordening nr. 1408/71 stelt een coördinatiestelsel in dat met name betrekking heeft op de vaststelling van de wetgeving die moet worden toegepast op werknemers die gebruik maken van hun recht van vrij verkeer. De verordening bepaalt dat degenen op wie deze verordening van toepassing is, alleen aan de wetgeving van één enkele lidstaat zijn onderworpen. Dat sluit elke mogelijkheid van gelijktijdige toepassing van verschillende nationale wetgevingen over eenzelfde periode uit.

Het beginsel dat de wetgeving van maar één lidstaat van toepassing is, geldt alleen voor de situaties die beschreven zijn in de verordening. Dat geldt ook voor werknemers die hun beroepsactiviteiten voorgoed hebben gestaakt.

Hoogstad is gepensioneerd en woont in Ierland. Hij valt volgens de verordening dus onder de sociale wetgeving van Ierland. Hij kan volgens de verordening niet tegelijkertijd onderworpen zijn aan sociale wetgeving van België. 

Commentaar

Het Hof begint het arrest met het beantwoorden van de vraag in hoeverre de sociale verzekeringsverordening van toepassing is op bijdragen die België inhoudt op aanvullende pensioenuitkeringen. Het Hof oordeelt dat dit zo is. Het Hof constateert daarnaast dat België de bijdragen inhoudt terwijl Hoogstad in een andere lidstaat woont en daar onder het stelsel van sociale zekerheid valt. De inhoudingen zijn dan ook in strijd met het EU-recht. Zo beschouwd komt deze uitspraak niet als een verrassing.

Het arrest heeft betrekking op verordering nr. 1408/71. Deze verordening is ingetrokken en vervangen door verordening nr. 883/2004. De conclusie van Hof wordt hierdoor echter niet anders.

Auteur: Erik Schouten, adviseur internationaal pensioen Aegon Adfis

Bron: Arrest Europese Hof van Justitie, C‑269/15, 26 oktober 2016.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 14 december 2016