Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Belgische ondernemer kan Belgische pensioenbijdragen niet ten laste van Nederlandse winst brengen

24 maart 2016

Hof Amsterdam oordeelt na verwijzing van de Hoge Raad dat B geen recht heeft op aftrek van zijn Belgische pensioenbijdragen. Er is geen sprake van een levensverzekering. 

B woont in België en is vennoot in een Nederlandse vof

B heeft de Belgische nationaliteit en woont in België. Hij neemt als vennoot deel in een Nederlandse vennootschap onder firma (vof). Voor de belastingheffing in Nederland opteert hij in 2006 voor binnenlandse belastingplicht. B is niet verzekerd voor de Nederlandse volksverzekeringen maar in België verplicht verzekerd volgens het sociaal statuut der zelfstandigen van het Rijksinstituut voor de sociale verzekering der zelfstandigen (hierna: RSVZ). In 2006 betaalt B een RSVZ-bijdrage van € 25.985 en in 2007 betaalt hij € 6.387. Van de RSVZ-bijdrage is 45% een pensioenbijdrage. De rest is voor onder meer kinderbijslag, geneeskundige verzorging en ziekte en invaliditeit.

De RSVZ-bijdragen zijn in België op grond van de Belgische (fiscale) regelgeving aftrekbaar van de winst. In geschil is in hoeverre deze bijdrage aftrekbaar is van de Nederlandse winst van B. 

Rechtbank, Hof en Hoge Raad

De procedure loopt al een paar jaar. Achtereenvolgens hebben Rechtbank Den Haag, Hof Den Haag en de Hoge Raad hun oordeel over deze zaak gegeven. De Hoge Raad verwees deze zaak naar het Hof Amsterdam. 

Wanneer we de zaken bekijken op het gebied van pensioenen zien we het volgende.

Volgens Rechtbank Den Haag is B verplicht de in België verschuldigde RSVZ-bijdrage te voldoen. Hij is ondernemer (zelfstandige) en in die hoedanigheid in België onderworpen aan het sociale zekerheidsstelsel voor zelfstandigen. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een zodanige causaliteit tussen de RSVZ-bijdrage en de onderneming dat de RVSZ-bijdrage een aftrekbare bedrijfslast is. Volgens de rechtbank moet voor het geheel van de betaalde RSVZ-bijdragen worden beoordeeld in hoeverre dit kosten en/of uitgaven zijn die volgens de Nederlandse wet- en regelgeving zijn uitgesloten van aftrek van de winst. De rechtbank komt tot het oordeel dat een deel aftrekbaar is van de winst, een deel aftrekbaar is als uitgave voor een inkomensvoorziening en een deel niet aftrekbaar is. De bijdrage die ziet op ‘pensioenen' (45%) en een 'restpost' (5%) zijn aftrekbaar, aldus de rechtbank.

Hof Den Haag oordeelt daarentegen dat de RSVZ-bijdrage betreffende het element ´pensioenen´ alleen aftrekbaar kan zijn als er sprake is van uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Omdat volgens het hof niet is voldaan aan de voorwaarden van art. 3.126 Wet IB 2001 (toegelaten aanbieders voor lijfrenteverzekeringen), heeft B geen recht op aftrek van de bijdrage. Evenmin ziet het hof een grondslag voor de aftrek van de restpost. Het hof vernietigt de uitspraak van de rechtbank en stelt de inspecteur in het gelijk. 

De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat de RSVZ-bijdrage die betrekking heeft op het rust- en overlevingspensioen is doorbetaald aan een lichaam als bedoeld in art. 3.126 lid 1 onderdeel d Wet IB 2001. De Hoge Raad verwijst daarbij naar een besluit van de staatssecretaris van Financiën (7 april 2009, nr. CPP2009/93M). De Hoge Raad verwijst de zaak vervolgens naar Hof Amsterdam. Dit hof moet de andere door de inspecteur aangevoerde gronden over de aftrekbaarheid van de ‘pensioen'bijdrage onderzoeken.

Ten slotte: Hof Amsterdam

Hof Amsterdam oordeelt ten slotte dat B geen recht heeft op aftrek van de bijdrage. Het hof overweegt daarbij dat de (publiekrechtelijke) rechtsverhouding waarop de bijdragen zijn gebaseerd niet kan worden gelijkgesteld met een levensverzekering als bedoeld in art. 1.7 lid 1 Wet IB 2001. Het hof overweegt daarbij dat de bijdragen betrekking hebben op diverse mogelijke uitkeringen, waarvan pensioen er één is. Verder wijst het hof er op dat de door zelfstandigen betaalde bijdragen niet kunnen worden herleid naar de verschillende rechten op specifieke sociale zekerheidsprestaties waarop die zelfstandigen uit hoofde van hun onderworpenheid recht hebben.

Commentaar

Na een procedure van jaren besluit het Hof Amsterdam uiteindelijk dat de betreffende bijdrage niet aftrekbaar is. Belangrijkste reden is dat die bijdragen niet zijn gebaseerd op een (civielrechtelijke) overeenkomst tussen B en een verzekeraar. Ook in materiële zin kan de (publiekrechtelijke) rechtsverhouding waarop de bedragen zijn gebaseerd niet worden gelijkgesteld met een levensverzekering als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid van de Wet IB 2001. Er is daarom niet aan de voorwaarden voor aftrek voldaan. Hierbij is een parallel met binnenlandse ondernemers te maken. Premie voor de AOW is immers ook niet aftrekbaar. 

 

Auteur: Erik Schouten, adviseur internationale pensioenen Aegon Adfis

Bron: Uitspraak Gerechtshof Amsterdam, 7 januari 2016

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 23 maart 2016.