Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Besluit verlenging uitvoeringsovereenkomst is niet adviesplichtig; OR dus niet ontvankelijk bij bezwaar

24 september 2018

Een besluit van een werkgever tot verlenging van de uitvoeringsovereenkomst valt niet onder de reikwijdte van artikel 26 Wet op de ondernemingsraden (WOR). De OR is daarom niet ontvankelijk in zijn verzoek aan de Ondernemingskamer. Door de wijziging van artikel 27 WOR per 1 oktober 2016 heeft de OR overigens inmiddels wel instemmingsrecht op dit punt.

Wat vooraf ging

Werkgever X introduceerde in 2006 een nieuwe pensioenregeling. Deze harmoniseerde de vier op dat moment bestaande pensioenregelingen. Daarvan waren er drie gebaseerd op het beschikbare premiesysteem en één op het middelloonsysteem. In het instemmingsverzoek aan de OR gaf de werkgever onder meer aan dat de geharmoniseerde pensioenregeling een volledige beschikbare premieregeling is met een gelijk ambitieniveau als de middelloonregeling. De OR stemde in en de pensioenregeling werd met ingang van 1 januari 2007 ondergebracht bij Zwitserleven. De uitvoeringsovereenkomst liep vijf jaar en werd naderhand verlengd tot en met 31 december 2016.

Verlengingstraject 1 januari 2017

In het voorjaar van 2016 startte X een traject om een pensioenuitvoerder te selecteren voor de uitvoering van de beschikbare premieregeling vanaf 1 januari 2017. X informeert de OR dat er een tenderprocedure is gestart en dat hij in juli of augustus gesprekken met drie of vier uitvoerders zal voeren. X geeft daarbij aan dat hij de OR in de fase daarna zal informeren en dat zal worden bezien hoe de OR zal participeren in het vervolgtraject.

De OR verwijst naar het instemmingsverzoek uit 2006 en neemt als uitgangspunt dat de pensioentoezegging een premieovereenkomst bevat die de ambitie kent om een middelloonresultaat te bereiken. Daarom stelt de OR voor de geldende premiestaffel te vervangen door een staffel met een lagere rekenrente. X antwoordt hierop dat bij de verlenging de bestaande pensioentoezegging aan de medewerkers het uitgangspunt is en niet de eventuele totstandkoming van de toezegging. De OR geeft begin oktober 2016 in reactie hierop aan vooralsnog geen instemming te verlenen aan de voorgenomen verlenging van de uitvoeringsovereenkomst met Zwitserleven.

Werkgever komt in tijdnood

X stelt de OR begin december 2016 voor om Zwitserleven te vragen het huidige contract met een jaar te verlengen en de besprekingen met de OR in 2017 voort te zetten. X vraagt de OR om een snel akkoord hierop omdat er per 1 januari 2017 sprake moet zijn van een uitvoeringsovereenkomst. Half december stelt de OR akkoord te willen gaan met een voorwaardelijke verlenging met drie maanden, tot 1 april 2017. X geeft daarop aan dat het niet mogelijk is om het contract met drie maanden te verlengen en vraagt de OR alsnog in te stemmen met het verlengen van het pensioencontract met Zwitserleven voor een jaar. Gezien de korte tijd die nog rest, vraagt X de OR uiterlijk op 22 december 2016 te reageren.

Op 29 december stuurt X een e-mail aan de OR waarin hij aangeeft dat hij per 1 januari 2017 een uitvoeringsovereenkomst moet hebben met een pensioenuitvoerder. Omdat de OR nog niet schriftelijk heeft gereageerd, ziet X geen andere mogelijkheid dan om de overeenkomst met een jaar te verlengen. X geeft aan hij bereid blijft om de discussie met de OR in 2017 verder te voeren. De OR reageert op 30 december 2016 en stelt niet akkoord te gaan met de verlenging van de met Zwitserleven overeengekomen uitvoeringsovereenkomst. Onder nader omschreven voorwaarden stemt de OR in met een verlenging van de uitvoeringsovereenkomst met een jaar. Op 9 januari 2017 schrijft de OR vervolgens dat hij akkoord is met de verlenging van de uitvoeringsovereenkomst met Zwitserleven met drie maanden. X antwoordt op 10 januari 2017 en bevestigt dat hij de regeling bij Zwitserleven met een jaar heeft verlengd op basis van het voorstel van Zwitserleven conform de e-mail aan de OR van 29 december 2017. X benadrukt daarnaast dat hij door deze verlenging niet automatisch akkoord gaat met de eventuele voorbehouden en voorwaarden van de OR ten aanzien van deze verlenging.

OR stapt naar de Ondernemingskamer

De OR verzoekt de Ondernemingskamer om het besluit van X te vernietigen. Volgens de OR kon X bij de afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid tot het besluit tot verlenging van de uitvoeringsovereenkomst bij Zwitserleven komen. De instemming in 2007 gaf de OR op basis van het uitgangspunt dat sprake was van een gelijk ambitieniveau als de voorheen geldende middelloonregeling, waarbij de premie gedurende 15 jaar niet minder zou zijn dan hij bij de middelloonregeling geweest was. Uit de destijds gedane toezeggingen van X mocht de OR begrijpen dat dat de middelloon ambitie gehandhaafd zou blijven. Inmiddels is gebleken dat dit niet haalbaar is zonder aanpassing van de uitvoeringsovereenkomst met Zwitserleven. De OR heeft daarom onder voorbehoud en onder voorwaarden ingestemd met de verlenging van de uitvoeringsovereenkomst. Nu X besloot de uitvoeringsovereenkomst met een jaar te verlengen, heeft hij volgens de OR geen rekening gehouden met de belangen van de betrokken werknemers en is het besluit onredelijk in de zin van artikel 26 van de WOR.

Besluit valt niet onder het adviesrecht;  OR dus niet ontvankelijk

De Ondernemingskamer komt aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de OR niet toe. Het besluit van X tot verlenging van de uitvoeringsovereenkomst met Zwitserleven valt volgens de Ondernemingskamer buiten het bereik van de in artikel 25, lid 1 WOR opgesomde categorieën. Artikel 25 WOR geeft aan in welke gevallen de OR adviesrecht heeft. Een adviesaanvraag op grond van artikel 25 WOR ligt volgens de Ondernemingskamer ook niet voor de hand nu het bestreden besluit geen betrekking heeft op aspecten die de onderneming aangaan in de zin van artikel 25 WOR, maar terug te voeren is op een arbeidsvoorwaarde, waarvoor in zijn algemeenheid eerder artikel 27 WOR dan wel de cao gelden. Het bestreden besluit valt volgens de Ondernemingskamer niet onder de reikwijdte van artikel 26 WOR en alleen al op die grond is de OR niet ontvankelijk in zijn verzoek.

Commentaar

De OR verwees in zijn verzoek aan de Ondernemingskamer naar artikel 26 van de WOR. Dit artikel bepaalt dat de OR beroep kan instellen bij de Ondernemingskamer tegen een besluit van de ondernemer als bedoeld in artikel 25. Dat zijn de besluiten waarbij de OR adviesrecht heeft. Het is opvallend dat de OR zijn verzoek baseerde op dit artikel. Uit artikel 25 blijkt duidelijk welke handelingen adviesplichtig zijn. En daarin is het wijzigen of verlengen van de uitvoeringsovereenkomst niet opgenomen. Een besluit tot het verlengen van een uitvoeringsovereenkomst met een pensioenuitvoerder is dus niet adviesplichtig op grond van artikel 25. De Ondernemingskamer kon niet anders beslissen dan de OR op deze formele grond niet ontvankelijk te verklaren. 

De positie van de OR op het gebied van pensioenregelingen is geregeld in artikel 27 WOR. Op grond van het eerste lid van dit artikel moet een werkgever onder andere instemming hebben van de OR voor elke door hem voorgenomen besluit tot vaststelling, wijziging of intrekking van regelingen op grond van een pensioenovereenkomst.

Sinds de wijziging per 1 oktober 2016 is in lid 7 opgenomen dat onder een regeling op grond van een pensioenovereenkomst mede wordt verstaan regelingen opgenomen in een uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pensioenwetdie van invloed zijn op de pensioenovereenkomst. Daaronder wordt in ieder geval ook begrepen de keuze voor onderbrenging bij een bepaalde pensioenuitvoerder. Vanaf die datum is dus buiten discussie dat de OR instemmingsrecht heeft bij de keuze van de pensioenverzekeraar. En dat geldt ook voor het verlenging bij de bestaande verzekeraar. Ook dat is immers een keuze van de werkgever. Ten tijde van de discussie tussen X en de OR was artikel 26, lid 7 WOR nog niet van toepassing. Dus blijft het ongewis wat het oordeel van de Ondernemingskamer was geweest als de OR zich niet op artikel 25, maar op artikel 27 WOR had beroepen.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis 

Bron: Hof Amsterdam, 4 mei 2017 (gepubliceerd 20 september 2018) 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 24 september 2018.