Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Bestuur pensioenfonds kan advocaat verantwoordingsorgaan niet zomaar ontslaan

Bestuur pensioenfonds kan advocaat verantwoordingsorgaan niet zomaar ontslaan

25 januari 2021

Het verantwoordingsorgaan van een pensioenfonds kan zich laten bijstaan door een deskundige of een advocaat. Het pensioenfonds draagt daarvoor de kosten. Het bestuur van het pensioenfonds kan een deskundige of een advocaat van het verantwoordingsorgaan niet zomaar ontslaan.

Bestuur beëindigt dienstverlening advocaat aan verantwoordingsorgaan

Het bestuur van het Bedrijfspensioenfonds voor de Agrarische en Voedselvoorzieningshandel had het voornemen het pensioenfonds te liquideren en de opgebouwde pensioenaanspraken en –rechten collectief over te dragen aan het Pensioenfonds PGB. Het verantwoordingsorgaan van een pensioenfonds – dat bestaat uit vertegenwoordigers van deelnemers en pensioengerechtigden (en soms ook de werkgever(s)) - moet volgens artikel 115a lid 3 sub f en sub g van de Pensioenwet in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen over een voorgenomen collectieve waardeoverdracht en een voorgenomen liquidatie van het pensioenfonds. Bij dat adviestraject ontstond in dit geval een geschil tussen het bestuur en het verantwoordingsorgaan van het pensioenfonds. Het verantwoordingsorgaan schakelde daarom een advocaat in om hen bij te staan in een procedure. Deze procedure bij de Ondernemingskamer pakte positief uit voor het verantwoordingsorgaan. Het oordeel was dat het adviestraject opnieuw doorlopen moest worden.

Na de uitspraak van de Ondernemingskamer bleef de advocaat het verantwoordingsorgaan bijstaan bij het vervolg van het adviestraject. De advocaat werd door het bestuur niet gezien als de adviseur van het verantwoordingsorgaan. Het verantwoordingsorgaan had namelijk ook al een andere adviseur ingeschakeld. Daarnaast zouden de werkzaamheden van een advocaat na de uitspraak van de Ondernemingskamer niet langer noodzakelijk zijn voor de normale uitvoering van de werkzaamheden van het verantwoordingsorgaan. Het verantwoordingsorgaan heeft geen eigen recht een advocaat in te huren, aldus het bestuur. Een en ander resulteerde in een brief van het bestuur aan de advocaat, waarin het bestuur de opdracht tot dienstverlening (het bijstaan van het verantwoordingsorgaan) beëindigde.

In een kort geding bij de rechtbank Den Haag vraagt het verantwoordingsorgaan de rechter te bevelen dat de brief van het bestuur aan de advocaat wordt ingetrokken en dat de advocaat het verantwoordingsorgaan kan blijven bijstaan.

Beoordeling in kort geding

De rechter onderzoekt eerst of het verantwoordingsorgaan wel bij de civiele rechter kan aankloppen, of dat het verantwoordingsorgaan zich (opnieuw) moet wenden tot de Ondernemingskamer. De rechter overweegt dat de wet niet expliciet voorziet in een regeling die het verantwoordingsorgaan toestaat te procederen in gevallen waarin zijn rechten worden aangetast en een beroep op de bestaande mogelijkheden geen oplossing biedt. Een redelijke wetsuitleg breng daarom met zich mee dat het verantwoordingsorgaan bevoegd is aan te kloppen bij de civiele rechter als zijn rechten op grond van de Pensioenwet of de statuten worden aangetast.

Vervolgens komt de rechter tot het oordeel dat het bestuur de adviesrelatie tussen het verantwoordingsorgaan en de advocaat niet eenzijdig kan beëindigen. Over de kosten die daarmee gemoeid zijn, kan weliswaar discussie ontstaan tussen het bestuur en het verantwoordingsorgaan. Het bestuur zal echter – zeker als het gaat om een adviestraject over volledige waardeoverdracht en liquidatie van het fonds – zeer terughoudend moeten zijn met het uitspreken van een veto, aldus de rechter. Het inschakelen van meerdere deskundigen kan daarbij noodzakelijk zijn. Ook bezwaren van het bestuur tegen de persoon van de advocaat (en niet zozeer de kosten) kunnen niet leiden tot een veto, althans niet als misdragingen van de advocaat niet duidelijk zijn gebleken.

Het verantwoordingsorgaan is niet een zelfstandig drager van rechten en plichten. Dat is volgens de rechter een ‘eigenaardigheid’ in het kader van de Pensioenwet die moet worden aanvaard, maar dat betekent niet dat er geen rechtsrelatie bestaat tussen het verantwoordingsorgaan en de advocaat (of zijn kantoor). Het is niet aanvaardbaar dat het bestuur van het pensioenfonds zelfstandig bepaalt of die rechtsrelatie ontstaat en hoe lang die duurt. Dat zou indruisen tegen de aard van de positie die het verantwoordingsorgaan volgens de Pensioenwet vervult.

Commentaar

Het bestuur van een pensioenfonds moet verantwoording afleggen aan het verantwoordingsorgaan over het beleid en de wijze waarop dat is uitgevoerd. Daarnaast moet het bestuur het verantwoordingsorgaan de gelegenheid geven advies uit te brengen over een aantal specifieke besluiten. Meestal gaat dat wel goed. Het bestuur en het verantwoordingsorgaan zijn vaak in ‘dialoog’ en het verantwoordingsorgaan wordt door het bestuur meestal tijdig meegenomen in voorgenomen besluitvorming. Het verantwoordingsorgaan kan onder voorwaarden één of meer deskundigen inschakelen om ondersteuning te bieden. Een aantal artikelen uit de Wet op de ondernemingsraden is daarbij ook van toepassing op de verhouding tussen het bestuur en het verantwoordingsorgaan.

De wet biedt een aantal mogelijkheden als dat traject niet goed verloopt, bijvoorbeeld als er geen advies wordt gevraagd, als advies wordt gevraagd op een moment dat het advies niet meer van invloed kan zijn op het besluit, of als de informatieverstrekking aan het verantwoordingsorgaan gebrekkig is. Zo kan het verantwoordingsorgaan beroep instellen bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam.

Waar de wet niet in voorziet, is wat het verantwoordingsorgaan kan doen als de wettelijke mogelijkheden zijn uitgeput of geen oplossing bieden. Op dat punt is de uitspraak van deze kortgedingrechter van belang en een bevestiging van de lijn die de rechter eerder in 2011 ook al trok. Ondanks dat een verantwoordingsorgaan – als medezeggenschapsorgaan binnen een pensioenfonds – niet een zelfstandig drager van rechten en plichten is, kan het in deze gevallen wel een beroep doen op de civiele rechter. De rechter trekt daarbij een parallel met artikel 36 van de Wet op de ondernemingsraden, ondanks dat dit artikel in de Pensioenwet niet van overeenkomstige toepassing is verklaard op het verantwoordingsorgaan.

Deze uitspraak is daarnaast van belang voor de vraag in hoeverre het bestuur invloed kan uitoefenen op het inschakelen van een deskundige door het verantwoordingsorgaan. De invloed van het bestuur is beperkt tot wat daarover in de toepasselijke artikelen in de Wet op de ondernemingsraden is bepaald. Uit artikel 22 lid 1 en 2 van de Wet op de ondernemingsraden blijkt dat het bestuur de kosten draagt voor het inschakelen van de deskundige, voor zover die redelijkerwijs noodzakelijk zijn. Het bestuur moet over die kosten wel vooraf in kennis zijn gesteld. Met betrekking tot het uitspreken van een veto op grond van deze bepalingen moet het bestuur terughoudend zijn, zeker als het gaat om trajecten met betrekking tot volledige waardeoverdracht en liquidatie van het fonds. In relatie tot de persoon van de adviseur heeft het bestuur geen recht een veto uit te spreken, althans niet als de adviseur zich niet overduidelijk misdraagt. Ergernis bij het bestuur is voor een veto in ieder geval niet voldoende.

Auteur: Gerwin de Weert, senior pensioenjurist Expertisecentrum TKP Pensioen

Bronnen: Rechtbank Den Haag, 9 december 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:13158 en Gerechtshof Amsterdam, 16 mei 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:BQ7362

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 25 januari 2021.