Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Bewindvoerder in wettelijke schuldsaneringsregeling mag gerichte lijfrente niet afkopen t.g.v. schuldeisers

Bewindvoerder in wettelijke schuldsaneringsregeling mag gerichte lijfrente niet afkopen t.g.v. schuldeisers

15 juni 2021

Het afkoopverbod op een gerichte lijfrenteverzekering kan ook tegengeworpen worden aan de bewindvoerder in een wettelijke schuldsaneringsregeling. De gerichte lijfrente kan dus niet worden afgekocht ten gunste van de schuldeisers.

Schuldsanering en lijfrente

Op 1 mei 2020 verklaart de rechtbank de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing op X. Op 3 december 2020 verzoekt de bewindvoerder aan de rechter-commissaris toestemming om de door X bij een levensverzekeraar afgesloten lijfrentepolis af te laten kopen. In zijn beschikking van 25 januari 2021 beslist de rechter-commissaris dat de bewindvoerder de lijfrentepolis mag afkopen.

X stelt daartegen beroep in bij de rechtbank Midden-Nederland. Hij voert daarbij aan dat de lijfrentepolis een gerichte lijfrenteverzekering betreft als bedoeld in artikel 7:986 lid 4 BW. Dit betekent volgens hem dat de polis niet kan worden afgekocht door de bewindvoerder ten gunste van de schuldeisers. De bewindvoerder stelt daar tegenover dat de polis wel afkoopbaar is en dat afkoop ervan X niet onredelijk benadeelt.

Gerichte lijfrente is niet afkoopbaar

De rechtbank overweegt allereerst dat de hoofdregel is dat een schuldenaar met zijn gehele vermogen instaat voor de schulden en dat in het kader van het doorlopen van de wettelijke schuldsaneringsregeling en het verkrijgen van de zogenoemde ‘schone lei’, hij geacht wordt zich zo veel mogelijk in te spannen voor een zo hoog mogelijke uitkering aan zijn schuldeisers.
Een schone lei wil zeggen dat de resterende schulden die onder werking van de Wet sanering schulden natuurlijke personen vallen niet meer afdwingbaar zijn.

De rechtbank wijst echter op de uitzonderingen hierop die zijn neergelegd in artikel 21 en artikel 22a Faillissementswet, welke artikelen op grond van artikel 295 Faillissementswet ook gelden voor de wettelijke schuldsaneringsregeling. De rechtbank overweegt dat deze uitzonderingen voor een belangrijk deel ertoe strekken te waarborgen dat de schuldenaar over het hoogstnoodzakelijke voor zijn levensonderhoud kan beschikken. Tot die uitzondering behoort volgens de rechtbank het recht op het doen voortbestaan van een levensverzekering indien door het te gelde maken c.q. afkopen daarvan de verzekeringnemer onredelijk wordt benadeeld.

Alvorens echter aan de beoordeling toe te komen of sprake is van een onredelijke benadeling, moet volgens de kantonrechter eerst de vraag worden beantwoord of er sprake is van een gerichte lijfrenteverzekering. Als dat het geval is, kan deze namelijk sowieso niet worden afgekocht ten gunste van schuldeisers in de schuldsaneringsregeling. De rechtbank verwijst hierbij naar de wetsgeschiedenis waar dit artikel als volgt werd toegelicht; “in bepaalde gevallen kan contractuele beperking van het afkooprecht ook worden tegengeworpen aan de schuldeisers, de curator en de bewindvoerder. Dat is bijvoorbeeld het geval bij zogenaamde gerichte lijfrenten”.

De rechtbank constateert dat uit de toelichting volgt dat is beoogd een koppeling te leggen met fiscaal gefaciliteerde pensioenvoorzieningen. Het gaat dan om gevallen waarin de wetgever mede heeft beoogd dat de aanspraak buiten het bereik van de schuldeisers zou vallen. Voor de fiscale facilitering is vereist dat de desbetreffende lijfrentepolis niet afkoopbaar is. In de voorwaarden bij de door X afgesloten polis is een afkoopverbod opgenomen en ter zitting kwam als onweersproken vast te staan dat X de premies voor de lijfrenteverzekering in het jaar van betaling kon aftrekken en heeft afgetrokken voor de inkomstenbelasting als premies voor een inkomens voorziening.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit dat voldoende kan worden vastgesteld dat de lijfrenteverzekering bij de verzekeraar een zogeheten ‘gerichte lijfrenteverzekering’ betreft, waarbij het afkoopverbod kan worden tegengeworpen aan de bewindvoerder en dat deze dus niet kan worden afgekocht ten gunste van de schuldeisers van X.
De rechtbank verklaart het beroep van appellant gegrond.

Commentaar

De vraag of een curator of bewindvoerder een lijfrentepolis mag laten afkopen, komt met enige regelmaat aan de orde. Voor de volledigheid en de juridische zuiverheid; het is de verzekeraar die zijn verplichtingen jegens de verzekeringnemer afkoopt. De verzekeringnemer heeft het recht om de verzekeraar om afkoop te verzoeken, maar hij is niet degene die afkoopt.

Veelal beroept een curator of bewindvoerder zich op de stelling dat de afkoop geen onredelijke benadeling met zich brengt. Terecht stelt de rechtbank dat deze vraag bij een gerichte lijfrente niet aan de orde is. Op basis van de wetsgeschiedenis is het voldoende dat sprake is van een onderhoudsvoorziening waarvoor de premies aftrekbaar zijn. Dan kan er per definitie geen sprake van afkoop door een curator of een bewindvoerder en is de vraag of er onredelijke benadeling is dus niet aan de orde. Uit deze rechtspraak blijkt echter dat deze kennis lang niet altijd bij curatoren en bewindsvoerders aanwezig is, dan wel dat zij zich er niet naar gedragen, zodat een gang naar de rechter noodzakelijk is om de wettelijke bepalingen op de daarmee beoogde wijze te laten toepassen. Zie onze nieuwsberichten van 23 oktober 2017, en 3 mei 2021.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Midden-Nederland, 31 mei 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2224

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 14 juni 2021.