Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Bijstortverplichting gaat niet automatisch over in nieuwe pensioenovereenkomst

28 september 2018

Een werkgever had een bijstortverplichting op basis van een uitvoeringsovereenkomst. Een na afloop van deze uitvoeringsovereenkomst afgesloten nieuwe uitvoeringsovereenkomst bevat geen bijstortverplichting. Vastgelegd is dat de nieuwe overeenkomst de oude vervangt. De werkgever is niet verplicht tot bijstorten op grond van de nieuwe overeenkomst.

Pensioenregeling gaat van pensioenfonds naar pensioenverzekeraar

Werkgever X had een pensioenregeling voor zijn werknemers. X viel niet onder een verplicht gesteld bedrijfstakpensioenfonds en liet zijn pensioenregeling uitvoeren door pensioenfonds Z. Per 1 januari 2015 nam Nationale Nederlanden de uitvoering van de pensioenregeling over en pensioenfonds Z werd in 2016 geliquideerd.

Verschillen tussen de opvolgende pensioenreglementen

In de loop van de tijd waren er drie pensioenreglementen. Het zogenoemde ‘Pensioenreglement B’, dat gold vanaf 1983 tot 1 januari 2006, kende een eindloonregeling. Het op een middelloonregeling gebaseerde ‘Pensioenreglement 2006’, dat in werking trad op 1 januari 2006, en het ‘Pensioenreglement 2007’. Dit laatste regelement trad in werking op 1 januari 2007 en was inhoudelijk gelijk aan het Pensioenreglement 2006 en bevatte enkele nieuwe aan de Pensioenwet aangepaste terminologie.

 In de statuten van het pensioenfond stond: “Het algemeen bestuur is bevoegd het pensioenreglement te wijzigen. Indien een dergelijke wijziging financiële consequenties heeft voor de deelnemers, de gewezen deelnemers of de vennootschappen is de goedkeuring vanuit het arbeidsvoorwaardenoverleg vereist.”

 Het Pensioenreglement 2006 is vanaf 1 januari 2006 bepalend, ook voor de vóór 1 januari 2006 opgebouwde aanspraken. Daartoe kent het reglement de volgende overgangsbepaling; “De tot en met 31 december 2005 op basis van het op dat moment geldende pensioenreglement opgebouwde aanspraken op levenslang ouderdomspensioen, tijdelijk ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen van de deelnemers in het op 1 januari 2006 in werking tredende pensioenreglement, worden omgezet in aanspraken op ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen op basis van dit reglement.”

Alle belanghebbenden zijn over deze omzetting geïnformeerd met de mededeling dat behoudens schriftelijk tegenbericht hiermee ingestemd zou worden.

Verschillen in de opvolgende uitvoeringsovereenkomsten

De Uitvoeringsovereenkomst 1995 was gebaseerd op koopsommen waarmee de pensioenaanspraken over het lopende jaar (de coming service) en de pensioenaanspraken over de verstreken jaren (de backservice) werden ingekocht. Verder bevatte deze uitvoeringsovereenkomst in artikel 3, lid 3 de volgende bepaling; “Ingeval de Vrije reserve van het fonds voor de deelnemende bedrijven aan de pensioenregeling ‘B’ op 31 december van enig jaar, nadat de financiële mutaties over dat jaar hebben plaatsgevonden en de  bijdragen van de deelnemende bedrijven aan de pensioenregeling ‘B’ als bedoeld in het tweede lid zijn ontvangen, daalt beneden een door het Algemeen Bestuur van het pensioenfonds vast te stellen percentage van de totale pensioenverplichtingen van de deelnemende partijen aan de pensioenregeling ‘B’ per dat tijdstip, dan zal het bedrag waarmede bedoelde vrije reserve daalt beneden bedoelde grens door de deelnemende bedrijven aan de pensioenregeling ‘B’ naar rato van hun bijdragen als bedoeld in lid 2 worden aangezuiverd. Het bedrag tot aanzuivering als bedoeld in de eerste volzin zal in enig jaar niet meer zijn dan 15% van de totale bijdrage als omschreven in lid 2.”

De Uitvoeringsovereenkomst 2006 kent een geheel andere financieringsmethodiek. Er is sprake van een kostendekkende premie met onderdelen die voor buffervorming bij het pensioenfonds zijn bestemd als bedoeld in artikel 128 Pensioenwet. Daarnaast is opgenomen dat X als werkgever een herstelpremie kan betalen indien dat onderdeel is van herstelmaatregelen die het pensioenfonds in onderdekking vaststelt. Er is geen verplichting meer om een extra bijdrage te betalen.

Pensioenfonds moet korten

Het pensioenfonds raakte eind 2008 in onderdekking. Op 1 april 2009 diende het een herstelplan in bij De Nederlandse Bank, In 2008 was de dekkingsgraad 93,1%. Het herstelplan voorzag er in dat de dekkingsgraad eind 2015 minimaal 105% zou zijn. Eind 2011 was de dekkingsgraad echter 91,5% waardoor het pensioenfonds per 1 april 2013 een korting toepaste van 6,9% en van 3,9% per 1 april 2014. Latere werden de pensioen weer enigszins verhoogd, maar desalniettemin bleef er per saldo sprake van een korting van 6,57%.

Vier voormalige werknemers spreken X aan op de bijstortverplichting zoals die in de Uitvoeringsovereenkomst 1995 stond. Zij vorderen nakoming door X van deze overeenkomst door het vanaf 2008 ontstane dekkingstekort aan te zuiveren zoals beschreven in artikel 3, lid 3 van de Uitvoeringsovereenkomst 1995. X zou de daarvoor verschuldigde bedragen moeten storten bij Nationale Nederlanden als huidige uitvoerder van de pensioenregeling.
Volgens deze vier eisers maakt de in de Uitvoeringsovereenkomst 1995 neergelegde bijstortverplichting door “statische incorporatie” deel uit van de pensioenovereenkomst en zijn zij krachtens een derdenbeding partij bij de in de Uitvoeringsovereenkomst 2015 neergelegde bijstortverplichting.

Kantonrechter: geen incorporatie, geen derdenbeding

De kantonrechter concludeert dat tussen partijen niet in geschil is dat het Pensioenreglement 2006 vanaf 1 januari 2006 op hen van toepassing is en dat eisers daarnaast aanspraak maken op de in de uitvoeringsovereenkomst 1995 neergelegde bijstortverplichting. In de Uitvoeringsovereenkomst 2006 is opgenomen dat die; “als zodanig alle eerdere tussen de Werkgever en de Stichting gesloten overeenkomsten vervangt”. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit deze bepaling dat de Uitvoeringsovereenkomst 1995 op 1 januari 2006 is vervangen door de Uitvoeringsovereenkomst 2006. Er is volgens de kantonrechter geen ruimte voor een contractueel automatische doorwerking van de in de Uitvoeringsovereenkomst 1995 neergelegde bijstortverplichting in de pensioenovereenkomst.

Volgens de kantonrechter kwalificeert de in de Uitvoeringsovereenkomst 1995 neergelegde bijstortverplichting niet als derdenbeding, De pensioenuitvoerder bedingt een bijstortverplichting immers in eerste instantie ten behoeve van zijn eigen vermogen. Het is naar het oordeel van de kantonrechter dus niet op de individuele deelnemer gericht maar op het collectief. Het belang van de deelnemer is op zichzelf onvoldoende om een zelfstandig vorderingsrecht voor de deelnemer en daarmee een derdenbeding ten laste van de werkgever aan te nemen.

X is volgens de kantonrechter dan ook niet gehouden om alsnog bijstortingen te verrichten zoals vastgelegd in de Uitvoeringsovereenkomst 1995 en hij wijst de vorderingen van de eisers dan ook af. 

Commentaar

Door te verwijzen naar bijvoorbeeld statuten en reglementen van het pensioenfonds, kunnen de daarin opgenomen bepalingen geïncorporeerd worden in de pensioenovereenkomst. Daarvan was sprake in de pensioenregeling zoals die gold tot 1 januari 2006. Deze regeling werd echter – mede door de komst van de Pensioenwet – ingrijpend gewijzigd. Daarbij kwamen partijen overeen dat de wijzigingen ook golden voor de reeds opgebouwde aanspraken. De eisers in deze zaak beriepen zich op één specifiek aspect op de oude uitvoeringsovereenkomst en voor het overige op de nieuwe.

De kantonrechter stelt zich naar onze menig terecht op het standpunt dat beide uitvoeringsovereenkomsten elk op zichzelf een samenhangend geheel vormen. De bijstortverplichting die was opgenomen in de Uitvoeringsovereenkomst 1995 was verbonden aan het begrip vrije reserve. Dit begrip komt na invoering van de Pensioenwet niet meer voor en er was sprake van een totaal andere financieringsmethodiek dan in de Uitvoeringsovereenkomst 2006 met een kostendekkende premie.

Ook de vraag of bij een uitvoeringsovereenkomst sprake is van een derdenbeding ten behoeve van een deelnemer is regelmatig onderwerp van discussie. De meningen daarover zijn verdeeld. De kantonrechter komt met een wat ons betreft verrassende en creatieve vondst. De bijstortverplichting bedong het fonds ten behoeve van zichzelf en het collectief en niet ten behoeve  van de individuele deelnemer. Uit dien hoofde kan er dus geen sprake zijn van een derdenbeding ten behoeve van die individuele deelnemer. Wij zijn benieuwd of dit oordeel nog pennen in beweging gaat brengen.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Oost-Brabant, 13 september 2018

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 28 september 2018.