Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Billijke ontslagvergoeding

10 juli 2017

Bij ontslagzaken, waarbij de werkgever ernstig verwijtbaar handelde, kunnen werknemers naast de wettelijke transitievergoeding een billijke vergoeding vragen. De Hoge Raad geeft aan waarmee rechters bij het bepalen van deze billijke vergoeding rekening moeten houden.

Onredelijk ontslag

Een kapster had een parttime dienstbetrekking bij een kapperszaak (H). Na overname van H ontstond een conflict tussen de nieuwe eigenaren van H en de kapster. De eigenaren probeerden haar tevergeefs te ontslaan. Na een meningsverschil over haar vakantie, kreeg ze opnieuw ontslag aangezegd. Omdat de kapster niet instemde met dit ontslag betaalde H aan de kapster de wettelijke transitievergoeding. Die vergoeding bedroeg € 1.596. De kapster ging tegen de hoogte van de vergoeding in beroep. De kantonrechter en het gerechtshof vonden het ontslag onredelijk en kenden de kapster een totale vergoeding toe van € 4.000. De kapster vond de extra vergoeding niet billijk en ging in cassatie bij de Hoge Raad.

Hoge Raad

Bij de beëindiging van een arbeidsovereenkomst door of vanwege de werkgever, heeft een werknemer recht op een forfaitair berekende transitievergoeding. Deze transitievergoeding dient enerzijds als compensatie voor het ontslag en anderzijds om de overgang naar een andere baan te vergemakkelijken. Bij een kennelijk onredelijk ontslag kan de rechter de werknemer een billijke vergoeding toekennen, bovenop de wettelijke transitievergoeding. In de memorie van toelichting bij de Wet werk en zekerheid (Wwz) is hierover opgemerkt: “Als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen. In dat geval kan de kantonrechter aan de werknemer dan ook een billijke vergoeding toekennen. Uiteraard heeft de werknemer daarnaast op grond van de wet recht op de transitievergoeding (…).” (Kamerstukken II 2013–2014, 33 818, nr. 3, p. 32-33).

De rechtbank en het hof stelden vast dat in het geval van de kapster sprake was van een onredelijk ontslag en dat zij recht heeft op de billijke vergoeding. Volgens de Hoge Raad moet de rechter de billijke vergoeding bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. Daarbij kan de rechter ook rekening houden met de gevolgen van het ontslag voor de werknemer. Bijvoorbeeld met het inkomen dat de werknemer zou hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd, of dat hij inmiddels ander werk heeft gevonden. Het hangt af van de omstandigheden of en in hoeverre de rechter bij de vaststelling van de billijke vergoeding rekening houdt met dat inkomen.  Tot die omstandigheden behoort onder meer ook de mate waarin de werkgever een verwijt valt te maken.

De Hoge Raad verwijst de zaak van de kapster naar het gerechtshof. Die moet opnieuw de omvang van de redelijke vergoeding bepalen. Daarbij moet het hof ook rekening houden met de gevolgen die het ontslag had voor de kapster. 

Commentaar

Op grond van de Wwz hebben werknemers bij ontslag uit een dienstbetrekking van twee jaar of langer recht op een transitievergoeding. Deze vergoeding wordt forfaitair vastgesteld. De forfaitaire bepaling houdt rekening met de duur van de arbeidsovereenkomst en het loon. Bij een onredelijk ontslag kan de rechter boven op de transitievergoeding een billijke vergoeding toekennen aan de werknemer. 

Het was de afgelopen jaren onduidelijk hoe de billijke vergoeding moest worden vastgesteld. De rechtbank en het hof gingen ervan uit dat zij bij de bepaling van deze vergoeding geen rekening hoefden te houden met de gevolgen van het ontslag voor de werknemer. Immers in transitievergoeding werd al rekening gehouden met de duur van de arbeidsovereenkomst en het loon. Zij bepaalden de hoogte van de extra vergoeding als een soort boete voor de werkgever om te voorkomen dat deze in de toekomst meer werknemers op dezelfde wijze zou ontslaan. De Hoge Raad is het hier niet mee eens. Zij vindt dat de rechter bij de bepaling van de billijke vergoeding weldegelijk rekening moet houden met de gevolgen van het ontslag voor de werknemer. Krijgen we hierdoor weer een nieuw kantonrechtsformule bij onredelijk ontslag?

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Hoge Raad, 30 juni 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 6 juli 2017.