Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

C-polis belast in box I

12 april 2016

Een belastingplichtige stelt dat haar pensioenpolis (C-polis) behoort tot het inkomen in box 3. De inspecteur en de rechtbank vinden dat de uitkering hoort tot het inkomen in box 1. 

De feiten

Mevrouw X is DGA van D BV. D BV zegt in 1996 aan X pensioenaanspraken toe. D BV houdt de pensioenaanspraken in eigen beheer. In 1998 komen D BV en X overeen de pensioenrechten – zowel de backservice als de comingservice - te herverzekeren. Hiervoor sluiten zij een zogenaamde letter C-polis. Bij een C-polis stelde de werkgever zijn werknemer in staat om een pensioenpolis te sluiten. De werknemer was dus verzekeringnemer. Sinds de invoering van de Pensioenwet in 2007 kunnen C-polissen niet meer gesloten worden. Immers volgens de Pensioenwet moet de werkgever zelf het pensioen onderbrengen bij een pensioenuitvoerder. 

In 2000 komen D BV en mevrouw X in aanvulling op de pensioenbrief het volgende overeen:

“Naar aanleiding van de brief van de Belastingdienst d.d. 12 april 2000 worden de onder A1 in de pensioenbrief genoemde pensioenrechten met ingang van heden ingetrokken. Mevrouw X neemt alle rechten en verplichtingen over van D BV en vrijwaart D BV voor elke aansprakelijkheid, zodat mevrouw X daardoor dus geheel naar eigen inzicht de afgesloten kapitaalverzekering met lijfrenteclausule bij Zwitserleven onder polis [001] in privé kan gebruiken ten behoeve van een ouderdomspensioen.”

X heeft op 4 mei 2000 de aanvulling op de pensioenbrief en het verslag van de Algemene Vergadering van Aandeelhouders hierover, zonder begeleidend schrijven en “ter kennisneming” toegezonden aan de inspecteur. De inspecteur heeft hierop niet gereageerd. 

In 2006 geeft D BV in de  Verklaring Pensioenregelingen aan dat er géén pensioenregelingen zijn voor werknemers van de BV. Uit de administratie van D BV blijkt dat deze tot 2006 de premies voor het pensioen ten laste van haar fiscale winst heeft gebracht.

In 2005 geeft X de waarde van de C-polis in de aangifte inkomstenbelasting aan als bezitting in box 3. De inspecteur corrigeert deze waarde. In de periode 2006 tot en met 2010 volgt de inspecteur de aangifte van X , waarin zij de C-polis als vermogen in Box 3 aangeeft, wel.

In 2012 vraagt X de inspecteur te beschikken dat de C-polis tot het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen wordt gerekend. De inspecteur antwoordt dat hij van mening is dat de C-polis bij Zwitserleven niet als bezitting valt aan te merken waarover in box III belasting verschuldigd is. 

Rechtbank Gelderland

In geschil is of de C-polis behoort tot het inkomen in box 1 of Box 3. En of X kon uitgaan van een opgewekt vertrouwen dat de C-polis tot haar inkomen in box 3 behoorde.

Volgens de rechter moet de pensioenpolis afgewikkeld worden in box 1. De Rechtbank vindt het daarbij niet relevant dat voor deze verzekering enige jaren geen premies zijn afgetrokken.

De rechter is ook van oordeel dat in dit geval geen sprake is van opgewekt vertrouwen dat de polis deel uitmaakt van de grondslag van box 3. Volgens vaste jurisprudentie is de enkele omstandigheid dat de inspecteur de aangiften gedurende een aantal jaren heeft gevolgd onvoldoende voor de conclusie dat sprake is van in rechte te beschermen vertrouwen. Er zullen bijkomende omstandigheden moeten zijn op grond waarvan bij X de indruk is gewekt dat het volgen van de aangiften in voorafgaande jaren het gevolg is van een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur.

Op de ter kennisneming opgestuurde gewijzigde pensioenbrief hoefde de inspecteur niet te reageren. Evenmin op de ingevulde Verklaring Pensioenregelingen. 

X stelde nog  dat bij de “omzetting” in 2000 van pensioen naar lijfrente afkoop dan wel afzien van pensioen had plaatsgevonden. Ook dit argument vond geen genade in de ogen van de rechter. Immers X had dat kennelijk niet bedoeld want had hierover niets aangegeven in de aangifte inkomstenbelasting. 

Commentaar

Een bijzondere casus. Waarom ging de belastingplichtige over dit ogenschijnlijk voorzienbare standpunt procederen?

Kennelijk waren X en D BV al vanaf 2000 respectievelijk 2005 van mening dat de pensioenverzekering was omgezet in een lijfrente. En dat de pensioenverzekering - door het niet aftrekken van de premies - was getransformeerd in een kapitaalverzekering die in Box 3 thuis hoorde. De fiscale wetten zitten echter niet zo eenvoudig in elkaar. Een pensioenverzekering kan in feite niet fiscaal geruisloos worden omgezet in een lijfrenteverzekering. En een lijfrenteverzekering waarvan de premies niet worden afgetrokken is niet automatisch een kapitaalverzekering.

De rechter vond dat de inspecteur niet hoefde te reageren op de in 2000 ter kennisneming toegezonden gewijzigde pensioenbrief. Had hij dat maar gedaan. Dan had hij wellicht X en D BV weer op het rechte spoor gezet en was deze voor X teleurstellende procedure wellicht voorkomen.

X stelde dat een deel van de premies door haar zelf waren voldaan en niet in aftrek waren gebracht door haar of de BV. Omdat volgens de rechter hier nog steeds sprake is  van een pensioenverzekering hadden deze premie in feite moeten worden voldaan door D BV. Wellicht kan X deze nog terugvorderen van D BV als onverschuldigde betaling. D BV kan deze betaling dan alsnog in aftrek brengen op haar fiscale winst. 

 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Gelderland, 7 april 2016

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 11 april 2016