Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

CAP verschaft duidelijkheid over fiscaal maximaal toegestane toeslagen

5 maart 2018

Op verzoek van Aegon Adfis verduidelijkte het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen het begrip “vaste toeslag” in pensioenregelingen. Een vaste toeslag mag fiscaal maximaal 3% per jaar bedragen. Een niet vaste toeslag mag fiscaal maximaal de loon- of prijsindex bedragen. Van een  vaste toeslag is sprake als er geen afzonderlijk daartoe strekkend besluit van de werkgever of pensioenfondsbestuur nodig en de enige voorwaarde om hem te verlenen het beschikbaar zijn van de daarvoor benodigde middelen is.

Wanneer is sprake van een vaste toeslag?

Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) van de Belastingdienst gaat op een tweetal plaatsen in op de fiscale behandeling van toeslagen. In de Handreiking indexatie van pensioen (versie 18 april 2007) en in Vraag&Antwoord 16-001 van 24 mei 2016.
In artikel 18d, eerste lid, onderdeel a Wet op de loonbelasting 1964 is aanpassing van pensioenen aan de loon- of prijsontwikkeling toegestaan zonder dat hierdoor de fiscale maxima worden overschreden. In de Handreiking geeft het CAP aan dat zowel voor- als na-indexatie kan plaatsvinden met behulp van een loonindexcijfer, een prijsindexcijfer of een van tevoren overeengekomen vast percentage. De wettekst biedt ruimte voor een vaste voor- of na-indexatie zolang deze een redelijke benadering is van de loon- of prijsindexatie. Uit een lange reeks inflatiecijfers over de jaren heen is volgens de Belastingdienst af te leiden dat een vaste indexatie niet hoger kan zijn dan 3%.

Als sprake is van het toekennen van toeslagen over het verleden, bijvoorbeeld omdat in reeds verstreken jaren niet (steeds volledige) toeslagen zijn verleend, mag de niet gebruikte toeslag ruimte alsnog worden benut door het verlenen van inhaaltoeslagen. In V&A 16-001 geeft de Belastingdienst aan dat voor de omvang van de inhaaltoeslag maximaal mag worden uitgegaan van het in de pensioenregeling opgenomen (nagestreefde) toeslagniveau (bijvoorbeeld de loon- of prijsontwikkeling). Het is niet mogelijk om een inhaaltoeslag toe te kennen op basis van een vast toeslagpercentage. Inhaal van gemiste toeslagen is alleen mogelijk voor deelnemer die de deze toeslagen daadwerkelijk hebben gemist.

In de praktijk bleek het begrip “vaste toeslag” op verschillende wijze te worden geïnterpreteerd. Daarom vroeg Aegon Adfis het CAP voor een aantal in de markt voorkomende situaties om een verduidelijking. Die kregen we op 1 maart jl.

Vaste toeslag alleen mogelijk voor een reeks toekomstige jaren en met als enige voorwaarde aanwezigheid voldoende middelen.

Alvorens in te gaan op de door ons voorgelegde situaties, geeft het CAP eerst een algemene reactie. Een redelijke benadering van de loon- of prijsindex betekent volgens de Belastingdienst dat de vaste toeslag in de plaats moet treden van de loon- of prijsindex over een reeks van (toekomstige) jaren. Een vaste toeslag is daarom ook alleen mogelijk indien de vaste toeslag over een reeks van jaren wordt toegezegd. De voorzitter van het CAP merkt daarbij op dat fiscaal niet sprake hoeft te zijn van een onvoorwaardelijke vaste toeslag. Een vaste toeslag over een reeks van jaren kan ook worden toegezegd onder de voorwaarde dat de financiële middelen voldoende moeten zijn om die vaste toeslag in elk van de jaren te bekostigen. In jaren dat de middelen aanwezig zijn, wordt dan de vaste toeslag toegekend en over jaren waarin de middelen tekort schieten wordt minder toegekend.

Uit de voorwaarde waaronder een vaste toeslag kan worden toegezegd, volgt volgens de Belastingdienst dat een vaste toeslag alleen mogelijk is voor een reeks toekomstige jaren. De ruimte van een vaste toeslag kan niet eenmalig worden toegezegd om in enig jaar extra toeslagen toe te zeggen en een vaste toeslag kan ook niet over de verstreken diensttijd worden toegezegd. Een éénmalige verhoging van de toeslag voor het jaar 2018 naar 3% is dan ook niet mogelijk. Het is eventueel wel mogelijk om vanaf 1-1-2018 een voorwaardelijke vaste toeslag toe te zeggen van maximaal 3% waarbij als voorwaarde kan gelden dat deze toeslag afhankelijk is van de aanwezige financiële middelen. Dat betekent dat deze 3% ook in volgende jaren moet worden nagekomen indien de middelen daarin voorzien. Toeslagen over verstreken diensttijd moeten altijd gebaseerd zijn om maximaal de loon- of prijsindex.

Praktijkvoorbeelden
Wij legden het CAP enkele van de meest voorkomende varianten van toeslagbepalingen voor.
 

  1. Voorwaardelijke toeslag zonder maatstaf

De eerste variant betreft een voorwaardelijke toeslag zonder maatstaf. Hierbij luidt de toeslagbepaling dat indien er voor zover er winstdeling beschikbaar is deze jaarlijks op 1 januari volledig zal worden gebruikt voor de financiering van een toeslag ter grootte van een gelijke procentuele verhoging van de pensioenen. De middelen hiervoor bestaan uit overrente en eventueel door de werkgever extra beschikbaar gestelde middelen. Als gevolg van de door de AFM voorgeschreven teksten bij de toeslagenmatrix is de volgende voorwaardelijkheidsverklaring opgenomen: “Op de pensioenrechten en pensioenaanspraken worden in beginsel jaarlijks toeslagen verleend. De werkgever beslist evenwel jaarlijks in hoeverre pensioenrechten en pensioenaanspraken worden aangepast. De hoogte van de toeslag is afhankelijk van de winstdeling die de werkgever van de verzekeraar ontvangt en/of de middelen die de werkgever extra ter beschikking stelt”.
 

Volgens het CAP is in deze situatie geen duidelijke toeslag bepaald. De keuze is afhankelijk van de middelen en een besluit van de werkgever. Duidelijk is in ieder geval dat geen (voorwaardelijk) vaste toeslag van 3% is toegezegd. In deze situatie kan dan ook niet eenmalig 3% worden toegezegd. De fiscaal maximale toeslag die jaarlijks kan worden verleend is de loon- of de prijsindex.

  1. Voorwaardelijke toeslag met maatstaf consumenten prijsindex (CPI)

De tweede variant die wij voorlegden, was een voorwaardelijke toeslag met als maatstaf de CPI. De toeslagbepaling luidt dat de werkgever jaarlijks op 1 januari toeslagen zal verlenen op basis van de stijging van het indexcijfer cao-lonen per maand. De middelen voor de toeslagen bestaan uit de overrente en eventueel door de werkgever ter beschikking gestelde middelen. Er bestaat geen recht op toeslag en het is niet zeker of en in hoeverre toeslagen worden toegekend. De voorwaardelijkheid blijkt uit de bepaling: “Er is geen geld gereserveerd voor deze toeslag. Indien er geen beschikbare middelen zijn is de toeslag nihil”.

Het CAP geeft aan dat hier wel is gekozen voor een duidelijke toeslag op basis van het indexcijfer cao-lonen. De toeslag is voorwaardelijk en afhankelijk van de beschikbare middelen, In deze situatie is het niet mogelijk voor het jaar 2018 eenmalig 3% toe te zeggen. Gemiste toeslagen kunnen wel worden ingehaald op basis van het indexcijfer cao-lonen zoals dat is toegezegd.

  1. Voorwaardelijke toeslag met als maatstaf CPI dan wel 3%

Deze variant is vergelijkbaar met de onder 2 genoemde variant, met dien verstande dat, naast de eerder genoemde voorwaardelijksheidsverklaring, als voorwaarde is toegevoegd dat indien en voor zover er voldoende middelen zijn en de CPI lager is dan 3%, er een toeslag wordt gegeven tot maximaal 3%.

Dit is volgens het CAP een fiscaal onjuiste toeslagverlening. De toeslagverlening op basis van de CPI is conform de wettelijke vereisten. De toegevoegde vaste toeslag van 3% is geen reële benadering van de loon- of prijsindex over een reeks van jaren omdat daarvoor in deze variant deze zelfde index als ondergrens is gesteld. De combinatie van CPI of 3% indien dat hoger is, biedt dus alleen de voordelen van fluctuaties in indexen maar niet de nadelen. Hierdoor is de 3% geen reële vertaling van de indexen over een reeks van jaren, maar leidt de combinatie per definitie tot een fiscaal te hoge toeslag.
 

  1. Voorwaardelijke toeslag bij herverzekerde pensioenfondsen

In deze variant worden, indien en voor zover er winstdeling beschikbaar is toeslagen verleend. Het bestuur van het pensioenfonds stelt jaarlijks het toeslagpercentage vast, waarbij dit percentage nooit meer zal zijn dan het fiscale maximum. De voorwaardelijkheid blijkt uit de bepaling; “Op pensioenrechten en pensioenaanspraken worden in beginsel jaarlijks toeslagen verleend. De werkgever beslist evenwel jaarlijks in hoeverre pensioenrechten en pensioenaanspraken worden aangepast. De hoogte van de toeslag is afhankelijk van de winstdeling die de werkgever van de verzekeraar ontvangt en/of de middelen die de werkgever hiervoor extra beschikbaar stelt.”

Hier is de voorwaardelijke toeslag volgens het CAP afhankelijk van de beschikbare middelen en een bestuurs- of werkgeversbeslissing en nooit meer dan het fiscale maximum. Dat fiscale maximum is de loon- of prijsindex, waarbij de werkgever duidelijk moet aangeven of hij kiest voor de loonindex of de prijsindex. Jaarlijks wisselen tussen deze indexen is niet toegestaan en leidt onder omstandigheden (jaarlijks kiezen voor de hoogste van de twee) tot een te hoge toeslag. In deze situatie is geen vaste (eventueel) voorwaardelijke toeslag verleend van 3%. Het is dan ook niet mogelijk om éénmalig voor het jaar 2018 een toeslag van 3% toe te zeggen.

Commentaar

Dankzij dit antwoord van de Belastingdienst is er meer duidelijkheid over de fiscale haalbaarheid van een toeslag van 3% per jaar in jaren dat de loon- of prijsindex minder is dan 3%.  

Het CAP onderscheidt drie situaties.

  1. Er is sprake van een onvoorwaardelijke toeslag. Met andere woorden er wordt – wat er ook gebeurt en onafhankelijk van de financiële situatie van de werkgever – elk jaar een toeslag verleend. Er bestaat geen twijfel over dat in een, dergelijke situatie de toeslag jaarlijks 3% mag zijn. Een onvoorwaardelijke toeslag is echter pensioen in de zin van de Pensioenwet en moet dus meteen volledig worden afgefinancierd.
  2. Er is sprake van een voorwaardelijke toeslag die niet alleen afhankelijk is van de beschikbare middelen, maar ook nog van (een) andere voorwaarde(n). Bijvoorbeeld een daartoe strekkend afzonderlijk besluit van de werkgever of het pensioenfondsbestuur. Als er wel voldoende middelen zijn, maar de werkgever of het pensioenfondsbestuur besluit om welke reden dan ook desalniettemin niet tot het verlenen van een toeslag over te gaan, dan worden er geen toeslagen verleend. Ook deze situatie is (nu) helder. Er is geen sprake van een vaste toeslag en dus is de jaarlijkse toeslag fiscaal gemaximeerd op de loon- of prijsindex.
  3. Er is sprake van een voorwaardelijke toeslag, die uitsluitend afhankelijk is van de beschikbare middelen. Als er voldoende middelen zijn dan worden er toeslagen verleend, zonder dat daarvoor een afzonderlijk daartoe strekkend besluit van de werkgever of het pensioenfondsbestuur nodig is. Met andere woorden: de beschikbaarheid van voldoende middelen is de enige voorwaarde waarvan de toeslagverlening afhankelijk is. Zijn er voldoende middelen dan zal de toeslag worden verleend en niet kan de toeslag worden verleend. In zoverre is sprake van een automatisme. In deze situatie is sprake van een vaste toeslag als bedoeld in de Handreiking van 18 april 2007. Deze vaste toeslag mag 3% per jaar bedragen, maar er moet bij voorbaat zijn vastgelegd dat hij ook in elk jaar, dat en voor zover er voldoende middelen zijn, zal worden verleend.

 

De standpunten van de Belastingdienst zijn niet verrassend en in lijn met het door Aegon gevoerde beleid. Het bleek echter dat er bij adviseurs en werkgevers verschillende interpretaties van de Handreiking bestonden. Daarom is het goed dat het CAP hierover meer duidelijkheid verschaft. Verkeerde interpretatie kan een fiscaal bovenmatig pensioen opleveren. Met alle ongewenste fiscale gevolgen van dien.

Het CAP geeft aan dat zij onderzoeken of ze de Handreiking op dit punt kunnen verduidelijken. Daarmee is het nut van een laagdrempelig te benaderen orgaan als het CAP maar weer eens bewezen.

 

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Interne e-mail van Ben Schuurman, voorzitter Centraal Aanspreekpunt Pensioenen aan Aegon Adfis van 1 maart 2018

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 2 maart 2018.