Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Carenzperiode is geen wachttijd

7 juni 2018

Een werknemer sluit een individuele aanvullende nabestaandenpensioenverzekering. Op dat moment heeft hij een hersentumor. Hij overlijdt zeven maanden na het sluiten van de verzekering. De pensioenuitvoerder mag zich van de kantonrechter in dit geval beroepen op de uitsluitingsclausule.

Individueel vrijwillig nabestaandenpensioen

De heer X is op 8 maart 2010 gehuwd met mevrouw H. Vanaf 1994 was X opgenomen in de basis pensioenregeling van Stichting Pensioenfonds Horeca & Catering (Bpf). Het Bpf informeerde X in de brief van 15 februari 2010 over de mogelijkheid om een individuele verzekering voor het nabestaandenpensioen af te sluiten. In die brief staat onder ander:

“(…). U kunt de verzekering van het nabestaandenpensioen afsluiten binnen een halfjaar na een huwelijksvoltrekking (...)” . X maakte geen gebruik van dit aanbod.

In 2013 sloot de toenmalig werkgever van X bij het Bpf een collectieve nabestaandenpensioenverzekering. Die regeling verzekert bij overlijden van de deelnemer vóór het bereiken van de 65-jarige leeftijd standaard 10% van het pensioengevend jaarsalaris. Iedere deelnemer kreeg de mogelijkheid om genoemd percentage van 10% individueel te verhogen naar 20% of 30 %. X heeft van die mogelijkheid gebruikt gemaakt en 20 % bijverzekerd. Op dat moment had X een hersentumor. Dit is door hem bij dan wel rond de aanvraag van de individuele nabestaandenpensioenverzekering bekend gemaakt aan het Bpf.

In de brief van 11 april 2013 bevestigde het Bpf aan X de deelname aan de individuele nabestaandenpensioenverzekering per 1 april 2013. In die brief staat onder meer:

“(…) Carenzperiode van één jaar

U heeft gebruik gemaakt van een extra mogelijkheid om u aan te melden voor de nabestaandenpensioenverzekering. U heeft daarom een carenzperiode van één jaar. Dit houdt in dat uw nabestaanden geen uitkering ontvangen als u binnen één jaar na de ingangsdatum van de verzekering overlijdt aan een ziekte die bij u bekend was op het moment dat u de nabestaandenpensioenverzekering afsloot. (…)”

In het pensioenreglement is hierover opgenomen:

“(…) Bij overlijden binnen 1 jaar na aanvangsdatum van de aldus afgesloten individuele aanvullende nabestaandenpensioenverzekering behoudt het fonds zich het recht voor de uitkering te weigeren indien het overlijden (mede) het gevolg is van de gezondheidstoestand van de deelnemer op de ingangsdatum van de aldus afgesloten Individuele aanvullende nabestaandenpensioenverzekering. (…)”

In het door X ingevulde aanvraagformulier staat:

“(…) Let op! Er geldt een wachttijd van één jaar. U leest hier meer over in de voorwaarden in de bijlage van bij dit formulier. (…)” 

X overlijdt op 19 oktober 2013. Met ingang van die datum keert het Bpf aan H een nabestaandenpensioen uit van € 925 bruto per maand Daarvan is € 611 bruto per maand afkomstig vanuit de individuele nabestaandenpensioenverzekering van X. Op 29 januari 2016 deelt het Bpf aan H mee dat de uitkering van het deel van de pensioenuitkering dat is gebaseerd op de individuele nabestaandenpensioenverzekering van X wordt stopgezet.

Carenzjaar is geen wachttijd

H vordert van het Bpf voortzetting van de uitkering uit individuele aanvullende nabestaandenpensioenverzekering. Zij vindt dat het Bpf zich ten onrechte baseert op de uitsluitingsclausule. Ook heeft het Bpf volgens H niet of onvoldoende aangetoond dat de doodsoorzaak van X (mede) het gevolg is van zijn gezondheidstoestand op de ingangsdatum van de betreffende pensioenverzekering.

Hoewel in de correspondentie steeds is gesproken over een ‘carenzperiode’ en een ‘wachttijd’, oordeelt de rechtbank dat de tekst van de uitsluitingsclausule geen wachttijd inhoud. Ook feitelijk blijkt dat het Bpf de uitsluitingsclausule niet toepast als een wachttijd voor de ingang van dekking. Met de uitsluitingsclausule beoogt het Bpf te voorkomen dat er een recht op uitkering bestaat indien er geen of onvoldoende sprake is van een onzekere gebeurtenis. Een clausule met een dergelijke strekking is naar het oordeel van de kantonrechter toegestaan en niet strijdig met artikel 14 lid 2 van de Pensioenwet.

Volgens de rechter komt door de uitsluitingsclausule de toegankelijkheid van de pensioenregeling en de individuele en collectieve nabestaandenpensioenverzekering niet in het geding. Dus is de uitsluitingsclausule niet strijd met het bepaalde in artikel 4 van de Wet op de Medische Keuringen.

X had op diverse momenten de keuze om op eigen initiatief een individuele nabestaandenpensioenverzekering af te sluiten. Tijdens de eerste twee keuzemomenten (aanvang van de deelname aan de pensioenregeling en het moment van trouwen) heeft X hiervan geen gebruik gemaakt. In 2013 kreeg X opnieuw de mogelijkheid om een individuele nabestaandenpensioenverzekering af te sluiten. X heeft hiervan toen wel gebruik gemaakt en is daarmee teruggekomen op de eerder door hem gemaakte keuzes. Er is dus sprake van een onverplichte, vrijwillige keuze op eigen initiatief van X. In dat geval is een beroep van het Bpf op de uitsluitingsclausule toegestaan. Daarbij is volgens de rechter nog relevant dat uitsluitend de uitkering op basis van de individuele nabestaandenpensioenverzekering is stopgezet. Het collectief verzekerde deel, waarvoor geen vrijwillige keuze is gemaakt door X, wordt door het Bpf nog steeds uitgekeerd.

Het Bpf moet aantonen dat de doodsoorzaak van X (mede) het gevolg is van zijn gezondheidstoestand op de ingangsdatum van de individuele aanvullende nabestaandenpensioenverzekering. Omdat H niet meewerkt met het onderzoek naar de dood van haar man draait de rechter deze bewijslast om. Slechts indien H kan aantonen dat de doodsoorzaak van X niet het gevolg is van de gezondheidstoestand van hem op de ingangsdatum van de verzekering blijft zij recht houden op de aanvullende uitkering.

Commentaar

Een interessante zaak over de zogenaamde ’carenzperiode‘. Volgens het Van Leeuwen Convenant uit 2010 zullen pensioenverzekeraars zich inspannen dat zij geen carenzperioden of wachttijden meer toepassen. Volgens dit Convenant is een carenzperiode of wachttijd een periode na aanvang van de deelname in de pensioenregeling, waarin weigering van de uitkering kan plaatsvinden. Het Convenant staat wel toe om een antimisbruikbepaling in de regeling op te nemen. Om misbruik en fraude tegen te gaan mag de pensioenuitvoerder weigeren een uitkering te doen als de deelnemer binnen een korte periode na het aangaan van de dekking overlijdt van wege zijn gezondheidstoestand op de ingangsdatum.

Hoewel de pensioenuitvoerder zich volgens de correspondentie beriep op een carenzperiode was volgens de rechtbank sprake van de hiervoor genoemde misbruik bepaling. Volgens de rechtbank mag de pensioenuitvoerder deze misbruikbepaling toepassen bij een vrijwillige keuze die niet leidt tot uitsluiting van bepaalde deelnemers.

In dit geval leidde de uitsluitingsclausule ertoe dat de pensioenuitkering niet hoefde te worden gedaan omdat er geen of onvoldoende sprake was van een onzekere gebeurtenis. Want X was al ziek toen hij de vrijwillige individuele aanvullende nabestaandenpensioenverzekering sloot.

Tevens stelt de rechtbank dat het hier ging om een vrijwillige herziening van de keuze door X. In dat geval geldt het keuringsverbod van Wet op de Medische Keuringen niet. Als het keuringsverbod wel zou gelden en de deelnemer overlijdt binnen een jaar na aanvang van de dekking als gevolg van een ziekte die hij bij aanvang al had, kan de verzekeraar naar de Toetsingscommissie Gezindheidsgegevens gaan. Een uitspraak van deze commissie is bindend voor de verzekeraar.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

 

Bron: Rechtbank Den Haag, 3 mei 2015

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 7 juni 201