Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Causaal verband eenmalige uitkering en dienstbetrekking

Causaal verband eenmalige uitkering en dienstbetrekking

28 april 2020

Over een eenmalige uitkering moet loonbelasting worden betaald. Er is een causaal verband tussen de uitkering en de dienstbetrekking van de overledene. De uitkering kreeg X om zijn beroep in cassatie in te trekken tegen een uitspraak waarin de pensioenuitvoerder niet verplicht werd een nabestaandenpensioen uit te keren.

Geen recht op nabestaandenpensioen; uitkering op basis van een vso

Y voerde vanaf 1 november 2011 tot haar overlijden een gezamenlijke huishouding met X. Zij werkte als piloot bij B toen zij op 4 januari 2013 overleed. Tijdens haar dienstverband met B was Y deelnemer aan de pensioenregeling. Stichting D is belast met de uitvoering van de pensioenregeling.

X en Y maakten een notariële samenlevingsovereenkomst, waarin X werd aangewezen als gerechtigde tot een partnerpensioen. Voordat de akte kon worden gepasseerd, overleed Y.

Na overlijden van Y keerde D geen (tijdelijk) partnerpensioen uit aan X omdat niet was voldaan aan de vereisten van een notarieel samenlevingscontract en het schriftelijk aanmelden van X bij het pensioenfonds. X startte daarop een civiele procedure waarbij hij door het hof in het ongelijk werd gesteld. Daarna wilde X in cassatie gaan tegen de uitspraak van het hof Amsterdam. Omdat stichting D inmiddels had besloten tot liquidatie over te gaan en het cassatieberoep het liquidatieproces dreigde te verstoren, traden X en D in overleg over een schikking. X zou van D een bedrag ineens krijgen onder voorwaarde dat hij zou afzien van cassatie. In verband met deze schikking vroeg X (op verzoek van D) aan de belastingdienst een fiscaal oordeel over het karakter van de betaling. De belastingdienst antwoordde daarop in juni 2018:

Een eenmalige uitkering die door [ [d] ] aan de heer [eiser] zal worden verstrekt, teneinde in te stemmen met het stopzetten van de procedure in cassatie inzake de door het hof verworpen aanspraak op partnerpensioen, wordt niet aangemerkt als een uitkering die in de zin van Hoofdstuk IIB van de Wet LB fiscaal te kwalificeren is als een pensioenregeling. Hierdoor zijn de artikelen 19b, lid 1 Wet LB en 30i AWR niet van toepassing en is het pensioenfonds voor deze eenmalige uitkering bevrijd van aansprakelijkheid conform artikel 44b Invorderingswet.

Het pensioenfonds is overigens wel inhoudingsplichtig voor deze eenmalige uitkering en dient de reguliere loonheffing hierover in te houden en aan de Belastingdienst af te dragen.”

Het overleg tussen X en D leidde daarna tot een vaststellingsovereenkomst (vso), die in juli 2018 door partijen is ondertekend. Op basis kreeg X op 1 augustus 2018 een bedrag van € 900.005 uitgekeerd onder inhouding van € 466.843 loonheffing en € 514 premies zorgverzekeringswet (Zvw).

X is het niet eens met de ingehouden loonheffing en premies Zvw maar krijgt geen gelijk van de belastingdienst.

Causaal verband tussen uitkering en dienstbetrekking

X en de belastingdienst verschillen van mening over de vraag of de uitkering loon is, en daarom onderwerpen aan loonheffing en premies Zvw. Volgens X is dat niet het geval omdat het geen pensioen is en er geen causaal verband is tussen de uitkering en het dienstverband dat Y had met D. Volgens de belastingdienst is er wel een causaal verband.

Volgens X heeft D de vso gesloten om redenen die buiten de pensioensfeer zijn gelegen. Hij stelt dat hij geen aanspraak op pensioen heeft op grond van het pensioenreglement en dat de voorstellen die D deed tijdens de schikkingsonderhandelingen niet binnen de pensioenregels vallen die voor de pensioenstichting gelden. De uitkering kan daarom ook niet als (afkoop van) pensioen aangemerkt worden, aldus X. Daarnaast is hij van mening dat er onvoldoende causaal verband is met de dienstbetrekking van Y om de uitkering in redelijkheid als daaruit genoten voordeel te kunnen aanmerken.

Tijdens de zitting erkende X wel dat D nooit tot het sluiten van de vso zou zijn overgegaan wanneer Y geen aanspraken zou hebben gehad uit hoofde van het Pensioenreglement. Aangezien die aanspraken rechtstreeks verband houden met haar dienstbetrekking, is het vereiste causale verband tussen de dienstbetrekking en de uitkering in zoverre gegeven, aldus de rechtbank. De rechtbank acht het verder aannemelijk dat D zich bij de onderhandelingen over de vso mede heeft laten leiden door haar inschatting van de kansen van het ingestelde beroep in cassatie. De rechtbank is van oordeel dat de uitkering onder deze omstandigheden zozeer haar grond vindt in de dienstbetrekking van Y dat zij als daaruit genoten moet worden aangemerkt.

De rechtbank stelt X in het ongelijk. De loonheffing en inhouding premies Zvw hebben terecht plaatsgevonden.

Commentaar

Geen onlogische uitspraak. Wel een trieste zaak. Het pensioenfonds stond volgens het hof in haar recht om het partnerpensioen niet uit te keren omdat er niet voldaan werd aan de partnerschapsvoorwaarden. En dat pakt wel erg hard uit, wanneer het overlijden plaatsvindt net voordat de noodzakelijke handtekeningen zijn gezet.

Kennelijk waren noch X, noch het pensioenfonds ervan overtuigd het cassatieberoep te winnen en kwamen zij een bedrag overeen om de zaak te kunnen afronden. Naast dit eenmalige bedrag van € 900.005 betaalde het pensioenfonds X ook nog éénmalig een bedrag van maximaal € 40.000,- (inclusief BTW), als tegemoetkoming in de door hem gemaakte (buiten)gerechtelijke/juridische kosten in verband met het onderhavige geschil.

Onduidelijk is waarom X de vaststellingsovereenkomst heeft getekend, nadat bij hem bekend was dat de pensioenuitvoerder ook volgens de belastingdienst wel loonheffing moest inhouden en afdragen. Waarom heeft X de belastingdienst gevraagd om een fiscaal oordeel?

Volgens de belastingdienst is er geen revisierente verschuldigd, en dus kennelijk geen sprake van (afkoop) van pensioen. Omdat het loonbegrip veel ruimer is, viel deze uitkering er wel onder.

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Noord Holland, 4 april 2020 (ECLI:NL:RBNHO:2020:2492)

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 28 april 2020