Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Compensatiekosten lijfrente belast

20 maart 2017

Een verzekeraar compenseert een belastingplichtige voor de kosten van zijn lijfrenteverzekering. Volgens het gerechtshof hoort de uitkering van deze vergoeding tot het inkomen in box 1. 

De feiten

X heeft lijfrenteverzekeringen gesloten bij verzekeraar A. De premie hiervoor brengt hij in mindering op zijn belastbaar inkomen. In 2001 corrigeert A een foutieve belegging en stort € 754 extra op de lijfrentepolis van X. In 2012 betaalt A aan X een bedrag van € 589 vanwege een collectieve regeling voor compensatie van kosten van levensverzekeringen.

De inspecteur betrekt de vergoeding van € 589 aan X in zijn belastbaar inkomen. X vindt dat de kostenvergoeding van €589 onbelast is. En hij wil de extra storting van € 754 in mindering brengen op zijn inkomen.

Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden

De rechter is van mening dat de inspecteur de uitkering van de € 589 terecht  tot het belastbaar inkomen uit werk en woning van X rekent. Volgens de Wet op de inkomstenbelasting (artikel 3.102 Wet IB 2001) hoort hetgeen X ontvangt ter vervanging van gederfde of te derven periodieke uitkeringen ook tot de belaste uitkering. Op grond daarvan oordeelt het hof:

“…. Nu niet in geschil is dat de door belanghebbende afgesloten levensverzekeringen zijn aan te merken als lijfrenten als bedoeld in artikel 3.125 van de Wet IB 2001 zijn de uitkeringen uit hoofde van die verzekeringen belast, ook als deze in één bedrag worden uitgekeerd. Hieraan doet niet af dat de tegemoetkoming ziet op de kostencomponent die in de levensverzekeringen is verwerkt, omdat de wetgever bij de aftrek van de lijfrentepremies noch bij de lijfrente-uitkeringen een uitzondering heeft gemaakt voor een kostencomponent.”

Het beroep van X dat het in de belastingheffing betrekken van de tegemoetkoming in strijd is met de redelijkheid en billijkheid wijst het hof af omdat de rechter niet bevoegd is de innerlijke waarde en billijkheid van de wet te beoordelen. Ook de stelling van X dat hij de extra storting door A in de verzekering van € 754 niet heeft kunnen aftrekken van zijn inkomen vindt geen genade in de ogen van het hof. Deze storting is niet door X betaald en kan daarom geen (aftrekbare) uitgaven voor inkomensvoorzieningen zijn. 

Commentaar

Een logische uitspraak. Want de (te hoge) kosten zijn onderdeel van de lijfrentepremie en dus aftrekbaar. Dan is het niet meer dan logisch dat de vergoeding belast is. De uitspraak sluit ook aan bij het beleidsbesluit van 20 december 2011. In dat besluit rekent de staatssecretaris een vergoeding voor kosten toe aan de lijfrente. Hij keurt in dat besluit goed dat de eenmalige uitkering niet wordt aangemerkt als afkoop van de lijfrente-uitkering.

De uitspraak van het hof komt ook overeen met de uitspraak de rechtbank Zeeland –West – Brabant van 26 april 2016. Deze uitspraak beschreven wij in ons bericht van 2 juni 2016. Gelderland. 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, 21 februari 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 16 maart 2016