Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Conserverende aanslag niet in strijd met goede verdragstrouw

28 november 2017

Een conserverende aanslag bij emigratie naar een land waarmee Nederland een Verdrag heeft dat de heffing over pensioenen volledig toewijst aan de woonstaat is niet in strijd met de goede verdragstrouw. 

Rechtbank Den Haag 20 december 2016

X emigreerde op 22 januari 2012 naar Israël. Op het moment van emigratie hield hij 100 percent van de aandelen in [C] Holding B.V. In deze vennootschap zijn de pensioenaanspraken van X ondergebracht.

Hij kreeg een conserverende aanslag die mede was gebaseerd op aanspraken en bijdragen ingevolge de pensioenregeling die eerder niet tot het loon zijn gerekend.

De rechtbank Den Haag oordeelde op 20 december 2016 dat de conserverende aanslag in strijd was met de goede verdragstrouw. Dit omdat het Verdrag tussen Nederland en Israël het heffingsrecht over pensioenen en soortgelijke beloning bij uitsluiting toewijst aan de woonstaat. Zie ons bericht van 9 februari 2017.

De staatssecretaris van Financiën ging tegen de uitspraak in beroep bij de Hoge Raad.

Hoge Raad 24 november 2017

De Hoge Raad verwijst naar zijn uitspraak van 14 juli 2017. Zie ons bericht van 26 juli 2017. In deze uitspraak oordeelde de Hoge Raad naar aanleiding van  prejudiciële vragen dat voor de vraag of de conserverende aanslag is toegestaan een compartimentering in de tijd moet worden aangebracht. Voor gevallen als het onderhavige, waarin de heffing onvoorwaardelijk aan het woonland is toegewezen, geldt dat de conserverende aanslag niet in strijd is met de goede verdragstrouw voor zover het gaat om aanspraken en bijdragen ingevolgde de pensioenregeling die na 15 juli 2009 niet tot het loon zijn gerekend.

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag en verwijst het geding naar de rechtbank Noord Holland om het te conserveren inkomen bast te stellen op basis van deze uitgangspunten. 

Commentaar

De Hoge Raad maakte bij de beantwoording van de prejudiciële vragen in haar uitspraak van 14 juli 2017 een onderscheid tussen de periode vóór en de periode ná 15 juli 2009. Op die datum werd de wetswijziging van kracht die de gevolgen van de arresten van Hoge Raad van 19 juni 2009 moest repareren. Door deze wetswijziging was bij emigratie naar een land dat op basis van het Verdrag volledig heffingsbevoegd is voor pensioenen niet langer sprake van heffing over de afkoopwaarde, maar van het terugnemen van het genoten fiscale voordeel (de genoten aftrek voor lijfrentepremie in de inkomstenbelasting, of de verleende vrijstelling in de loonbelasting).

De Hoge Raad beschouwt de aanspraken die na 15 juli 2009 niet tot het loon zijn gerekend als voorwaardelijk vrijgestelde aanspraken op pensioen. In de arresten van 19 juni 2009 oordeelde de Hoge Raad nu juist dat - als sprake is van een pensioenregeling als bedoeld in hoofdstuk IIB van de Wet LB 1964 - de daaruit voortvloeiende aanspraken onvoorwaardelijk zijn vrijgesteld. De reparatiewetgeving bracht geen verandering in het systeem van hoofdstuk IIB van de Wet LB 1964. Toch leidt de hiervoor genoemde wetswijziging er volgens de Hoge Raad toe dat sprake is van een voorwaardelijk vrijgestelde aanspraak en concludeert hij dat het in de heffing betrekken bij conserverende aanslag van negatieve uitgaven bij emigratie ter zake van een pensioenaanspraak niet in strijd komt met de goede verdragstrouw, voor zover het gaat om aanspraken en bijdragen ingevolge een pensioenregeling die na 15 juli 2009 niet tot het loon zijn gerekend.

Uit dien hoofde is de uitspraak van de Hoge Raad van 24 november 2017 niet verrassend.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Hoge Raad 24 november 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 28 november 2017.