Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Consultatie pensioenregeling payrollkrachten afgerond

22 maart 2019

Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) legde op 15 februari 2019 het “Ontwerpbesluit voorwaarden adequate pensioenregeling payrollkrachten” ter consultatie voor aan ‘het veld’. Bij het sluiten van de consultatie op 16 maart 2019 waren er vijftien reacties.

Verplicht pensioen voor payrollers

In het Wetsvoorstel Wet arbeidsmarkt in balans (WAB) is een verplicht pensioen opgenomen voor medewerkers van Payrollbedrijven. Dit is opgenomen het voorgestelde artikel 8a de Wet allocatie arbeidskrachten door intermediairs (WAA).

Payrollbedrijven zijn volgens de WAA verplicht de werknemers die zij ter beschikking hebben gesteld dezelfde arbeidsvoorwaarden te bieden als die zouden gelden wanneer een payrollmedewerker rechtstreeks in dienst zou zijn bij de opdrachtgever. Dit geldt ook voor pensioen. Als voor de werknemers van de opdrachtgever of voor werknemers van soortgelijke bedrijven een pensioenregeling geldt, moeten de ter beschikking gestelde arbeidskrachten ook een pensioen krijgen. Worden de payrollers opgenomen in de regeling van de opdrachtgever of van het pensioenfonds waaronder de opdrachtgever valt, dan is aan deze voorwaarden voldaan. Voor payrollers die niet in de regeling van de opdrachtgever of het fonds worden opgenomen geldt volgens het wetsvoorstel dat ze wettelijk recht hebben op een pensioenregeling die ten minste voldoet aan bij een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) te stellen regels. De minister van SZW heeft deze regels geformuleerd in een ontwerpbesluit, dat hij ter consultatie voorlegde.

Het Ontwerpbesluit

In het ontwerpbesluit geeft de staatssecretaris aan waaraan een adequate pensioenregeling bedoeld in artikel 8a WAA moet voldoen om te kwalificeren als een adequate pensioenregeling:

  1. Een regeling met aanspraken op ouderdoms - en nabestaandenpensioen;
  2. Geen wachttijd of drempelperiode;
  3. Totale werkgeverspremie bedraagt ten minste 13,6% van de som van de pensioengrondslag van de arbeidskrachten;
  4. Pensioengrondslag is pensioengevend loon verminderd met 100/75 maal AOW-gehuwd
  5. Pensioengevend loon is gemaximeerd conform hoofdstuk IIB van de Wet op de loonbelasting 1964.

 

Het percentage, genoemd onder c, wordt per 1 januari van elk kalenderjaar bij ministeriële regeling aangepast aan de hand van de ontwikkeling van de gemiddelde werkgeverspremie die wordt afgedragen voor Nederlandse basispensioenregelingen.

Als het voorgestelde percentage leidt tot een bovenmatig pensioen wordt de regeling bijgesteld tot het fiscaal maximaal aanvaardbare terwijl het restant van de premie wordt uitgekeerd aan de werknemer.

Reacties op de internetconsultatie

Vijftien personen en instanties reageerden op de internetconsultatie. We halen er een paar reacties uit. Voor alle reacties, klik hier.

Bedrijfstakpensioenfonds StiPP, die de verplicht gestelde pensioenregeling voor uitzendkrachten uitvoert, geeft aan dat de voorgestelde wijzigingen ten aanzien van de pensioenopbouw van payrollwerknemers zoals weergegeven in het ontwerpbesluit ingrijpende gevolgen zullen hebben voor de uitvoeringspraktijk van StiPP. StiPP constateert dat de regelgever tot op heden onvoldoende oog heeft gehad voor de uitvoeringstechnische aspecten van de beoogde pensioenregeling. Op een aantal vlakken is volgens haar nadere duiding en concretisering gewenst.

VNO-NCW en MKB Nederland onderschrijven het belang dat payrollwerkers ook in staat moeten worden gesteld om pensioen op te bouwen. Zij hebben echter bezwaren tegen het ontwerpbesluit omdat het inbreuk maakt op de contractsvrijheid en het tot op heden geldende uitgangspunt dat het maken van afspraken over de arbeidsvoorwaarde pensioen aan de sociale partners wordt overgelaten en het precedentwerking kan hebben. Het feit dat de wetgever invulling geeft aan het begrip ‘adequate pensioenregeling’ kan er mogelijk toe leiden dat andere pensioenregelingen aangepast moeten worden aan de door de overheid gestelde norm. Dit ondermijnt volgens VNO-NCW en MKB Nederland de positie van cao-partijen en de betrokkenheid bij het arbeidsvoorwaardenproces. Deze partijen zijn dan ook van mening dat gezocht moet worden naar alternatieven waarbij de doelstellingen behaald worden en de onderhandelingsvrijheid van cao-partijen gerespecteerd blijft.

De Pensioenfederatie is van mening dat het verbeteren van het pensioen voor payrollwerknemers een goede stap vooruit is om pensioen uiteindelijk voor alle werkenden op een fatsoenlijke manier te regelen. Maar de Pensioenfederatie heeft tegelijkertijd principiële bezwaren tegen het voorstel van de wetgever om voor een specifieke groep werkenden te bepalen wat onder een adequaat pensioen moet worden verstaan. De Pensioenfederatie ondersteunt echter het besluit, maar plaatst wel enkele kanttekeningen. Daarbij geeft de Pensioenfederatie aan dat de impact van het ontwerpbesluit op dit moment onduidelijk is en mogelijk per uitvoerder wezenlijk kan verschillen.

De Vakbeweging (FNV, VCP en CNV) tenslotte vindt het geoorloofd om voor sociale partners met betrekking tot de payrollwerknemers de contractsvrijheid te beperken. Dit omdat payrolling vaak wordt gebruikt als draaideurconstructie en daarmee leidt tot – volgens de vakbeweging – ongewenste concurrentie op arbeidsvoorwaarden. Het gelijkwaardiger maken van de arbeidsvoorwaarde pensioen tussen werknemers en payrollwerknemers is een goede eerste stap volgens FNV, CNV en VCP. In het bijzonder als wordt aangesloten bij de pensioenregeling van de inlener. Vervolgens dienen volgens deze partijen ook de overige arbeidsvoorwaarden gelijk getrokken te worden.

Commentaar

Naast en in aanvulling op de reacties van de diverse respondenten vallen ons twee dingen op. Het door de overheid verplicht opleggen van een adequate pensioenregeling is een zeer principiële stap in een omgeving waar tot nu toe de invulling van de arbeidsvoorwaarde pensioen exclusief aan de sociale partners is voorbehouden. Ook het Kabinet heeft zich in de discussie rond het nieuwe pensioenstelsel steeds op het standpunt gesteld dat de wetgever slechts de kaders stelt waarbinnen de sociale partners de arbeidsvoorwaarde pensioen mogen invullen. In het Regeerakkoord staat op blz. 30: “Het arbeidsvoorwaardelijk opbouwen van pensioen blijft een verantwoordelijkheid van de sociale partners. De Nederlandse overheid stelt de kaders vast.” Dat standpunt wordt nu verlaten voor de payrollwerknemers. Maar, waarom zou dat niet ook van andere groepen moeten/kunnen gelden? En wie bepaalt wat een adequate pensioenregeling is? Deze benadering heeft het gevaar in zich dat de door de overheid geformuleerde adequate pensioenregeling de norm gaat worden waar de overige pensioenregelingen in het arbeidsvoorwaardenoverleg naar toe gaan bewegen. Dat kan per saldo leiden tot een versobering van de pensioenregelingen in zijn algemeenheid.

Ten tweede valt op dat als de werkgeverspremie leidt tot fiscaal bovenmatig pensioen de premie wordt beperkt tot het fiscale maximum en het meerdere als gewoon salaris wordt uitbetaald aan de werknemer. Dit speelt met name bij jongere werknemers en heeft (dus) alle elementen van leeftijdonderscheid in zich. En dat mag op grond van de vaste lijn van oordelen van het College voor de Rechten van de mens alleen als ofwel voor iedere deelnemer eenzelfde percentage van de pensioengrondslag als beschikbare premie geldt, ofwel er sprake is van een zodanige met de leeftijd stijgende premie dat het pensioenresultaat op pensioeningangsdatum voor iedere deelnemer hetzelfde is. Dat is hier echter niet het geval, zodat wij ons afvragen of dit op grond van de WGBL is toegestaan.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis 

Bron: Internetconsultatie Ontwerpbesluit voorwaarden adequate pensioenregeling payrollkrachten

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 22 maart 2019.