Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

CPB: wat kan Nederland leren van buitenlandse pensioenstelsels?

22 juni 2015

In de Nationale Pensioendialoog zijn vier kernvragen geformuleerd: wie doet er mee, hoe ga je om met solidariteit, hoe ga je om met keuzevrijheid en wie is verantwoordelijk? Het Centraal Planbureau (CPB) vergeleek in dat kader de pensioenstelsels van Denemarken, Zweden, Chili en Australië om lessen te trekken voor de huidige discussie in Nederland.     

Inleiding

Het CPB verdeelde de gekozen landen in twee categorieën: 

  • Corporatistische landen, waarin aanvullende pensioenregelingen sterk door de sociale partners zijn vormgegeven: Denemarken en Zweden;
  • Libertair paternalistische landen, met een algemene spaarplicht, maar tegelijkertijd veel eigen verantwoordelijkheid voor het individu: Australië en Chili.

 

Ieder pensioenstelsel moet worden bezien binnen de context van het eigen land, cultuur en historie, is één van de conclusies van het CPB. De inrichting van de tweede pijler kan bovendien niet los gezien worden van de eerste pijler. Naar gelang de rol en de (relatieve) omvang van de pijlers, zal de inrichting van aanvullende pensioenregelingen anders zijn. Toch kan het CPB lessen trekken uit de internationale vergelijking die relevant zijn voor de actuele stelseldiscussie in Nederland. De lessen die het CPB trekt en meegeeft aan de Nederlandse politiek, geef ik hieronder vet gedrukt weer.

Deelname

De deelname aan pensioenopbouw staat in Nederland onder druk door de toename van het aantal flexwerkers en zelfstandigen. Werknemers die onder een cao vallen zijn veelal verplicht tot deelname aan pensioenopbouw. Werknemers zonder cao en zelfstandigen zijn nu veelal niet verplicht om pensioen op te bouwen. In Australië geldt een wettelijke plicht tot pensioenopbouw voor alle werknemers, in Chili voor werknemers en zelfstandigen. De invoering voor zelfstandigen in Chili ging geleidelijk, eerst vrijwillig met mogelijkheid tot stopzetting (opt-out), sinds dit jaar verplicht met een geleidelijk oplopend percentage van het inkomen. 

De deelname aan pensioenopbouw zou in Nederland verder verbreed kunnen worden door een wettelijke verplichting. Of door gebruik te maken van standaarden (defaults). 

Een wettelijke plicht kan inhouden dat werknemers zonder collectieve pensioenregeling zelf een individuele regeling moeten treffen of dat werkgevers verplicht worden om een pensioenregeling te treffen voor hun werknemers. 

Een voorbeeld van gebruik van standaarden is dat werkenden automatisch deelnemen (auto-enrollment) aan een pensioenregeling, maar de mogelijkheid hebben om eruit te stappen (opt-out).

Solidariteit

In de vier landen in de studie verloopt inkomensherverdeling via de eerste pijler. De intergenerationele deling van beleggingsrisico binnen de tweede pijler is in het buitenland meestal beperkt van omvang. Garanties op rendementen of toekomstige uitkeringen komen in de onderzochte landen nu minder voor dan in het verleden. Dit is mede het gevolg van de daling van de rente. De behoefte aan zekerheid voor deelnemers en de onzekerheid van de rendementen op financiële markten blijkt ook in de onderzochte landen niet eenvoudig met elkaar te verzoenen. 

Het is niet direct duidelijk of Nederland hier iets van andere landen kan leren. 

In de onderzochte landen ligt minder nadruk op het delen van langlevenrisico in de uitkeringsfase, doordat een deel van het vermogen vaak aangewend kan worden voor een uitkering ineens of voor geleidelijke opname. In Australië wordt het ontbreken van regels en standaarden voor het delen van langlevenrisico in de uitkeringsfase in toenemende mate als een gemis ervaren. 

Volledig vrijgeven van de uitkeringsfase lijkt geen voorbeeld om na te volgen.

Keuzevrijheid

Deelnemers aan pensioenregelingen in de onderzochte landen hebben meer keuzevrijheid in de uitkeringsfase dan deelnemers in Nederland. Naast een uitkering in de vorm van een annuïteit is veelal ook een uitkering ineens of een uitkering voor een beperkte duur mogelijk. 

Het ligt wel voor de hand om in Nederland de keuzevrijheid in de uitkeringsfase te begrenzen. Dit voorkomt dat deelnemers op hoge leeftijd over onvoldoende inkomen beschikken. Keuzevrijheid in de opbouwfase ten aanzien van de inleg zou wel meer mogelijk kunnen zijn. Bijvoorbeeld voor deelnemers die al veel pensioenrechten hebben opgebouwd gedurende hun loopbaan of over veel ander vermogen beschikken. Keuzevrijheid in de opbouwfase vereist afschaffing van de doorsneesystematiek. Wanneer er keuze wordt geboden, zullen in de regel slechts weinig mensen daar actief gebruik van maken. Goede defaults ten aanzien van deelname (automatisch of verplicht), inleg, beleggingsbeleid (risico afgestemd op levenscyclus) en uitkering (levenslang) zijn zodoende onontbeerlijk. Het faciliteren van keuze leidt vaak tot een complexere inrichting, met mogelijk hogere kosten. Daar staat tegenover dat de keuzevrijheid deelnemers in staat stelt om hun pensioenregeling beter te laten aansluiten bij hun eigen voorkeuren en omstandigheden. Het faciliteren van keuze kan de betrokkenheid van deelnemers vergroten. 

Keuzevrijheid van de aanbieder (pensioenfonds of verzekeraar) werkt niet altijd goed voor individuele deelnemers. In Australië en Zweden (eerste pijler) is het aantal aanbieders nogal hoog, in Chili juist gering. In alle drie landen is er onvrede over de hoogte van de kosten. In Chili heeft de overheid een biedingsprocedure opgezet, waarbij de meest efficiënte aanbieder nieuwe deelnemers voor twee jaar als klant krijgt. Australië overweegt een vergelijkbare aanpak. In Zweden (tweede pijler) spelen de sociale partners een belangrijke rol bij de selectie van aanbieders. Voor individuele deelnemers is het lastig om de kwaliteit van aanbieders te beoordelen, mede vanwege de lange horizon tussen inleg en uitkering. 

Een actieve rol van werkgevers, sociale partners of overheid bij regulering van de markt of selectie van aanbieders lijkt gewenst.

Verdeling verantwoordelijkheden

Nederland zou in navolging van de andere landen in de studie individuele deelnemers wat meer ruimte kunnen geven voor eigen inbreng. De ervaringen in de andere landen laten echter ook zien dat een actieve rol voor overheid, de sociale partners en/of de werkgever nuttig is, om te zorgen dat voldoende pensioen wordt opgebouwd en dat dit tegen lage kosten wordt belegd en voldoende gespreid wordt uitgekeerd. Individuele deelnemers blijken veelal te kortzichtig om voldoende te sparen. Enige verplichting of gebruik van defaults blijkt internationaal goed te werken.

Commentaar

Om antwoorden te kunnen geven op de vragen die tijdens de Nationale Pensioendialoog zijn gesteld, is het goed om te kijken naar verschillende pensioenstelsels in het buitenland. Welke lessen zijn te trekken uit de ervaringen in die landen? Naar onze mening is het CPB er goed in geslaagd om van vier belangrijke pensioenlanden een duidelijk overzicht te geven van hun pensioenstelsels. En nog belangrijker, aan te geven welke elementen in hun stelsels een overweging voor Nederland zouden kunnen zijn en welke juist helemaal niet. 

Duidelijk is echter wel dat het hier gaat om hele principiële keuzen. Zoals, waar ligt het primaat? Bij de sociale partners, of bij de individuele deelnemer? Hoeveel solidariteit willen we in het systeem? Is doorsneepremie daar een exponent van? Hoe beschermen we individuele deelnemers tegen het maken van verkeerde keuzen? Hoe paternalistisch willen we daarin zijn? En ten slotte: in hoeverre verhoudt de mogelijkheid om (een gedeelte van) het pensioenkapitaal ineens op te nemen, met het karakter van een oudedagsvoorziening? Het CPB-rapport biedt een nuttige bijdrage in de discussie. Maar er blijven nog vele vraagpunten open.

Auteur:  Erik Schouten, adviseur internationaal pensioen Aegon Adfis
Bron: CPB Notitie “Internationale vergelijking van pensioenstelsels: Denemarken, Zweden, Chili en Australië”, 12‑06‑2015.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 22 juni 2015