Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Curator mag pensioenverzekering niet afkopen

23 oktober 2017

De curator van een failliet wil de pensioenverzekering die is afgesloten ten behoeve van hem afkopen. De rechter-commissaris geeft daar toestemming voor. Volgens de Hoge Raad ten onrechte. Ook pensioenverzekeringen waarvoor de werkgever de premie betaalt, mogen niet door een curator worden afgekocht.

Rechter-commissaris en Rechtbank; Curator mag pensioen deels afkopen

X ging in 2012 failliet. De rechter-commissaris (RC) verleende de curator toestemming om een 1978 afgesloten levensverzekering af te kopen. De verzekering is een pensioenregeling als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964. Tegen de beschikking van de RC waarin hij de toestemming verleende, ging X in hoger beroep bij de rechtbank Gelderland. De Rechtbank vernietigde de beschikking van de RC en beperkte de toestemming tot afkoop zodanig dat X vanaf zijn AOW-leeftijd een maandelijkse uitkering van € 800 overhoudt. Alleen voor zover de verzekering meer oplevert, mag de curator laten afkopen. Zowel de curator als X gaan tegen deze beslissing van de rechtbank in cassatie bij de Hoge Raad.

Is pensioen een hoogstpersoonlijk recht?

X stelt zich op het standpunt dat de Rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat aanspraken op een pensioenvoorziening geen hoogstpersoonlijke rechten zijn. Hoogstpersoonlijke rechten zijn rechten die zo zeer met de persoon van de rechthebbende verknocht zijn dat niet kan worden aanvaard dat anderen die aanspraak uitoefenen of daarvan profijt trekken. Een zodanige aanspraak valt buiten de faillissementsboedel.

Uitgangpunt bij een faillissement is dat het gehele vermogen van de failliet daaronder valt. Op dit uitgangspunt bestaat een aantal wettelijke uitzonderingen. Het recht op het afkopen van een levensverzekering valt buiten de boedel voor zover de begunstigde of de verzekeringnemer door afkoop onredelijk benadeeld wordt (art. 22a, lid 1 Faillisementswet). Hiervan is met name sprake als de levensverzekering voor de failliet een pensioenvoorziening vormt. Omdat bij de vraag of sprake is van een onredelijke benadeling rekening gehouden moet worden met zowel de belangen van de schuldeisers als met de belangen van degenen voor wiens verzorging de verzekering is gesloten, is er volgens de Hoge Raad geen aanleiding om aan de pensioenverzekering een hoogstpersoonlijk karakter toe te kennen. Dan zou hij immers per definitie buiten de boedel vallen en was een dergelijke belangen afweging niet mogelijk.

Is sprake van een verzekering waarvoor de premies aftrekbaar waren?

Naast het hiervoor genoemde artikel 22a van de Fw, kent de wet nog een belangrijke bepaling op dit vlak. Op grond van artikel 7:986, lid 4 van het BW kan een contractueel afkoopverbod in een levensverzekering aan een curator worden tegengeworpen ‘voor zover de ter zake voldane premies, mede op grond dat de verzekering bepaalt dat zij niet kan worden afgekocht, voor de heffing van de inkomstenbelasting in aanmerking konden worden genomen voor de bepaling van het belastbaar inkomen uit werk en woning’.

De Rechtbank stelde dat dit artikel in dit geval niet van toepassing was, omdat de premies niet door X, maar door diens werkgever waren betaald en dat X ze dus niet zelf als aftrekpost voor de inkomstenbelasting had opgevoerd. X brengt daar in cassatie tegenin dat het er niet om gaat óf hij de premies heeft afgetrokken, maar of hij ze kón aftrekken. Het gaat daarbij volgens hem om het karakter van de verzekering, waarbij art, 7:986, lid 4 BW aansluit bij de toets die de belastingwetgeving hanteert voor het antwoord op de vraag of sprake is van oudedags- of nabestaandenvoorziening.

Hoge Raad; Curator mag niet afkopen

De Hoge Raad gaat hierin mee. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat beoogd is een koppeling te leggen met fiscaal gefaciliteerde pensioenaanspraken. Het gaat dan om gevallen waarin de wetgever mede heeft beoogd dat de aanspraak buiten het bereik van schuldeisers zou vallen. Voor die fiscale facilitering is vereist dat de desbetreffende levensverzekering niet afkoopbaar is. Voor een pensioenverzekering volgt dit uit artikel 18, eerste lid, aanhef onder b van de Wet LB 1964. Het stelsel van fiscale regels is er op gericht dat binnen bepaalde grenzen en onder bepaalde voorwaarden een adequate oudedagsvoorziening kan worden opgebouwd. Daarom behoort het volgens de Hoge Raad geen verschil te maken of de premies zijn betaald door de verzekeringnemer zelf of door een derde. Het antwoord op de vraag of het afkoopverbod aan de curator kan worden tegengeworpen, is derhalve niet afhankelijk van het antwoord op de vraag of de premies bij de failliet zelf daadwerkelijk voor de heffing van inkomstenbelasting in aanmerking zijn genomen. Het gaat er volgens de Hoge Raad om dat een oudedagsvoorziening wordt opgebouwd die voldoet aan de maatstaven voor fiscale facilitering die in de fiscale regelgeving zijn vastgelegd.

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland en verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing.

Commentaar

Een belangrijke uitspraak. In lagere rechtspraak zijn nogal eens tegenstrijdige uitspraken gedaan in dergelijke gevallen. Dat er geen sprake is van een hoogstpersoonlijk recht lijkt gezien de redenering van de Hoge Raad over de belangen afweging logisch en volgt ook uit HR 5 september 2008. De vraag of pensioen een hoogstpersoonlijk recht is, is echter door deze uitspraak van de Hoge Raad feitelijk niet meer relevant. Het is nu klip en klaar dat een curator niet mag afkopen als er sprake is van een oudedagsvoorziening die voldoet aan de maatstaven voor fiscale facilitering zoals die in de fiscale regelgeving zijn vastgelegd (en waarvan een contractueel afkoopverbod deel uit maakt). Of, zuiverder, een curator mag de verzekeraar niet verplichten om tot afkoop van zijn verplichtingen over te gaan. Belangrijk hierbij is nog dat, door de formulering ‘fiscale facilitering’ die de Hoge Raad koos, ook duidelijk is dat pensioenaanspraken die niet tot een aftrekpost voor de inkomstenbelasting leiden, maar tot een vrijstelling in de loonbelasting, onder het afkoopverbod vallen.

Het is echter wel enigszins verbazingwekkend dat hierover nog onduidelijkheid bestond. Deze vraag was namelijk al aan de orde bij de parlementaire behandeling van boek 7 BW. De CDA-fractie in de Eerste Kamer stelde indertijd de vraag of de formulering ‘bij het bepalen van het belastbaar inkomen in aanmerking nemen’ ook omvat dat pensioenverzekeringen, waarbij de pensioenpremies via de loonbelasting niet tot het loon worden gerekend, toch onder artikel 986 vallen. Antwoord van de minister; “Ik kan dat bevestigen” (Kamerstukken I, 2006-2007, 30 413 en 30 655, E, p. 3). 

Op zich wekt het oordeel van de HR dus geen verbazing. Maar, gezien de in cassatie vernietigde beschikking van de rechtbank Gelderland en diverse andere uitspraken van lagere rechters is het een zeer goede zaak dat het hoogste rechtscollege van ons land hierover een niet voor tweeërlei uitleg vatbare uitspraak heeft gedaan. Dat biedt zekerheid voor met name pensioenuitvoerders en levensverzekeraars die met enige regelmaat geconfronteerd worden met afkoopverzoeken van curatoren, die kunnen leiden tot nietige afkoop van pensioenen. 

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Hoge Raad 6 oktober 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 23 oktober 2017.