Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws De volhouder wint een veel lagere verhoging van inkomen uit werk en inkomen

De volhouder wint een veel lagere verhoging van inkomen uit werk en inkomen

1 juni 2021

Een lang lopende procedure heeft er uiteindelijk toe geleid dat het premievrij maken van een vaste termijnverzekering er toch voor zorgt dat er geen sprake meer is van een verzekering. Vanaf het moment van premievrij maken is de vaste termijnverzekering een spaarproduct geworden, aldus de Hoge Raad in september 2020. Hof Den Haag mag het vonnis uitvoeren.

Lang procederen pakt goed uit voor de verzekeringnemer vaste termijnverzekering

In 2019 en 2020 schreven wij over de aanslag van de Belastingdienst aan Y over het rentebestanddeel van een in 2000 premievrijgemaakte vaste termijnverzekering (hierna verzekering). Deze verzekering keerde in 2013 een bedrag uit met een rentebestanddeel van ongeveer € 23.000, waarmee het belastbare inkomen in 2013 werd verhoogd. Y ging in hoger beroep. Zij was van mening dat door het premievrij maken van de verzekering geen sprake meer was van een levensverzekering, maar van een valutatermijncontract. Het was namelijk een Australische dollars verzekering die uitkeert ongeacht leven of dood waardoor deze na de premievrijmaking niet langer als levensverzekering kan worden aangemerkt. De rechtbank gaf Y gelijk, maar hof Amsterdam besliste anders: een levensverzekering verliest haar status niet als gevolg van premievrijmaking. (zie nieuwsbericht van 3 oktober 2019).

Y gaf niet op en ging tegen de uitspraak van hof Amsterdam in cassatie. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het hof verworpen (zie ons nieuwsbericht van 21 september 2020) en heeft het geding verwezen naar het hof in Den Haag.

Toch een bancair product als gevolg van premievrij maken

In geschil is of de verzekering vanaf de premievrijmaking in 1995 nog steeds als een overeenkomst van levensverzekering kan worden aangemerkt.

Het hof Den Haag geeft aan dat de overeenkomst, na de premievrijmaking daarvan in 1995, voor de heffing van de inkomstenbelasting niet (meer) kan worden aangemerkt als een overeenkomst van levensverzekering. Door de premievrijmaking is het overlijdensrisico en daarmee het verzekeringselement verdwenen uit de overeenkomst. De stelling van de Belastingdienst dat het overlijdensrisico ook na de premievrijmaking in 1995 nog onderdeel is van de overeenkomst omdat bij het berekenen van het “verzekerd bedrag op de einddatum” rekening is gehouden met de sterftekans van de verzekerde gedurende de gehele looptijd, maakt dat niet anders aldus het hof. Hierbij is van belang dat het overlijdensrisico meebrengt dat voor partijen bij de overeenkomst onzekerheid bestaat dat, wanneer of tot welk bedrag een uitkering zal worden gedaan dan wel hoe lang de overeengekomen premiebetaling zal duren. Na de premievrijmaking bestaat voor partijen bij de overeenkomst echter geen uit het overlijdensrisico voortvloeiende onzekerheid (meer) over de financiële uitkomst van de overeenkomst, aldus het hof.

Het betoog van de Belastingdienst dat er geen rechtsregel is die met zich brengt dat voor de duiding van de fiscale gevolgen van de uitkering niet mag worden uitgegaan van de overeenkomst voordat deze werd gewijzigd, faalt eveneens. Het verschil in aard tussen een overeenkomst mét en een overeenkomst zónder overlijdensrisico is immers zo groot dat op deze overeenkomst vóór en na de premievrijmaking niet dezelfde fiscaalrechtelijke bepalingen van toepassing kunnen zijn.

Nu de Belastingdienst geen gelijk krijgt, vraagt hij wel om een tijdsevenredig deel van het interestbestanddeel toe te kennen aan de jaren tussen 1993 en 2001, zodat dit deel belast kan worden als rente van een spaarrekening over de jaren dat er nog geen vermogensrendementsheffing bestond. Dan kan dat bedrag als inkomen werk en woning worden belast. Y vindt dat het niet mogelijk is om dit alsnog te bepalen en pleit voor geen inkomen uit werk en woning. Het hof volgt beide redeneringen niet en stelt het bedrag zelf vast in goede justitie. Ze bepaalt dat er slechts € 2.637 als inkomen uit werk en woning hoeft te worden bijgeteld. En er is geen vermogensrendementsheffing verschuldigd, omdat mag worden aangenomen dat het bedrag altijd onder het vrijgestelde bedrag is gebleven.

Commentaar

Uiteindelijk is het blijven procederen van Y beloond. De verhoging van haar inkomen uit werk en woning in 2013 is met 89% verlaagd. Maar het blijft een lastige vraag. Als wordt uitgegaan van het moment van premievrij maken om te bepalen of er nog steeds sprake is van een levensverzekeringsovereenkomst, dan kan dit gunstig uitpakken voor elke vaste termijnverzekering die premievrij is gemaakt voordat er sprake kan zijn van een kapitaalvrijstelling. Maar wat betekent het voor de vaste termijnverzekering die na vijftien jaar is premie vrijgemaakt? Verlies van de status van levensverzekering is dan ook verlies van de kapitaalvrijstelling.

Auteur: Joanna Hildering, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Den Haag, 10 mei 2021

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 31 mei 2021