Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Definitie gezamenlijke huishouding in wetsvoorstel Wet toekomst pensioenen zorgt voor onbedoelde effecten

Definitie gezamenlijke huishouding in wetsvoorstel Wet toekomst pensioenen zorgt voor onbedoelde effecten

28 april 2021

De definitie van het begrip gezamenlijke huishouding in de consultatieversie van het wetsvoorstel Wet toekomst pensioenen leidt er toe dat sprake is van onbedoeld partnerschap en onbedoeld niet-partnerschap. Aansluiten bij de definitie uit de Successiewet is een oplossing.

Gezamenlijke huishouding in Wet toekomst pensioenen

De consultatieversie van het wetsvoorstel Wet toekomst pensioenen (hierna ‘de consultatieversie’) definieert de partner als: “de echtgenoot, de geregistreerd partner, of de meerderjarige persoon die met de werknemer of de gewezen werknemer een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad, een bloedverwant in de tweede graad in de rechte lijn, een meerderjarig stiefkind of meerderjarig voormalig pleegkind.”

Van een gezamenlijke huishouding is volgens de consultatieversie sprake indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
a. een notarieel verleden samenlevingscontract hebben gesloten waarin zij zich wederzijds hebben verplicht bij te dragen in de kosten van levensonderhoud; of
b. al ten minste zes maanden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Volgens de concept memorie van toelichting beoogt dit onderdeel op dit punt meer eenduidigheid te creëren door; “expliciet in de wet te verankeren wanneer ongehuwden en mensen zonder geregistreerd partnerschap toch als partner worden aangemerkt en derhalve in aanmerking komen voor partnerpensioen”. De consultatieversie bepaalt verder dat, als sprake is van een partnerpensioen, geen onderscheid gemaakt wordt al naar gelang het type partnerrelatie. Conclusie: iemand die aan de definitie van partner voldoet, heeft van rechtswege aanspraak op een partnerpensioen.

Onbedoelde partner

Personen die samenwonen zonder dat sprake is van een notarieel verleden samenlevingscontract hebben op grond van onderdeel b van dit voorgestelde artikel 2a Pensioenwet een gezamenlijke huishouding als zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding. Kennelijk gaat de wetgever ervan uit dat als sprake is van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding er per definitie sprake is van een wederzijdse zorgrelatie en (dus) van een gezamenlijke huishouding en (dus) van partnerschap in de zin van het voorgestelde artikel 1 Pensioenwet. 
Dat betekent dat bijvoorbeeld iedere leefvorm waarbij meerdere personen een huishouden vormen, zonder dat sprake is van een affectieve relatie, maar wel van het gezamenlijk bijdragen in de kosten van de huishouding (zoals bijvoorbeeld een studentenhuis), een gezamenlijke huishouding is in de zin van de Pensioenwet. Veel jongeren vormen na hun afstuderen gezamenlijke huishoudens met oud studiegenoten waarin ze samen de huur opbrengen, gezamenlijk een internetabonnement hebben en de dagelijkse boodschappen financieren. En uiteraard hoef je geen student te zijn (geweest) om met een aantal vrienden of vriendinnen in een huis te gaan wonen op basis van een gezamenlijke bijdrage in de kosten van de huishouding. In deze gevallen is de kans dat de huisgenoten inmiddels werken en deelnemen in een pensioenregeling die ook voorziet in een partnerpensioen, beslist niet ondenkbeeldig. Verbreken van de gezamenlijke huishouding door bijvoorbeeld verhuizing, leidt dan tot een aanspraak op bijzonder partnerpensioen voor de achterblijvende dan wel vertrekkende huisgenoot.

De consultatieversie houdt er rekening mee dat er meerdere personen kwalificeren als partner en bepaalt daarom dat een werknemer of gewezen werknemer op enig moment slechts één partner kan hebben. Indien een werknemer of gewezen werknemer meer dan één partner heeft, is de partner uit de oudste verbintenis de partner in de zin van de Pensioenwet. Kortom de huisgenoot met wie een vertrekkende huisgenoot het langste samenwoont, is zijn partner in de zin van de Pensioenwet en kan derhalve een bijzonder partnerpensioen claimen. Heeft deze achterblijvende huisgenoot een pensioenregeling die voorziet in een partnerpensioen, dan kan de vertrekkende huisgenoot deze claim neerleggen. Ongetwijfeld niet bedoeld door de wetgever, maar door de gekozen redactie waarin het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding al voldoende is om te spreken van een gezamenlijke huishouding, wel de realiteit.

Onbedoelde niet-partner

Naast de hiervoor beschreven onbedoelde partner, leidt de in de consultatieversie opgenomen definitie van gezamenlijke huishouding ook tot situaties waarin sprake is van een onbedoelde niet-partner.
Gedurende het eerste half jaar dat mensen samenwonen op basis van een notarieel samenlevingscontract, is nog geen sprake van een gezamenlijke huishouding als bedoeld onder b van het voorgestelde artikel 2a Pensioenwet. Om te kunnen spreken van een gezamenlijke huishouding in die periode als bedoeld onder a van dit artikel, moeten zij zich wederzijds hebben verplicht bij te dragen in de kosten van levensonderhoud. Want dat is in onderdeel a een voorwaarde om te kunnen spreken van een gezamenlijke huishouding. Anders dan bij samenlevingsverband zonder notariële akte, als bedoeld in onderdeel b, ontbreekt de toevoeging ‘dan wel anderszins’ in de omschrijving van gezamenlijke huishouding. Om bij samenwonen op basis van een notariële akte te kunnen spreken van een gezamenlijke huishouding, is het dus een bestaansvoorwaarde dat er in de notariële akte sprake is van een wederzijdse verplichting van de partners om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud. Nemen de partners een dergelijke verplichting bewust (één van de partners verdient het geld, de andere zorgt voor de kinderen en het huishouden) of onbewust (ze regelen helemaal niets over de kosten van levensonderhoud) niet op in de notariële akte, dan is er geen sprake van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in onderdeel a. Na zes maanden kan er op basis van de ruimere definitie zoals opgenomen in onderdeel b, wél sprake zijn van een gezamenlijke huishouding als er ‘anderszins’ afspraken zijn gemaakt waaruit de wederzijdse zorgplicht blijkt. Samenleven met notariële akte is immers ook een vorm van samenleven. Gedurende de eerste zes maanden is in een dergelijk geval echter nog geen sprake van een gezamenlijke huishouding zoals bedoeld in het voorgestelde artikel 2a Pensioenwet en krijgt de partner dus geen partnerpensioen als de deelnemer in die periode dood gaat. En, zeker in situaties waarin geen sprake is van een eigen inkomen (wellicht de reden dat ze geen wederzijdse verplichting om bij te dragen in de kosten van levensonderhoud opnamen in de notariële akte), is dat een uitermate onwenselijke situatie. 
Ook dit kán niet de bedoeling zijn van de wetgever. Maar het is wel een gevolg van de gekozen redactie.

Commentaar

De discussie over het nieuwe pensioenstelsel gaat momenteel met name over het ouderdomspensioen en het al dan niet invaren van bestaande aanspraken. Het partnerpensioen is echter ook een niet onbelangrijk onderdeel van de consultatieversie. Het streven om te komen tot een uniforme definitie van het begrip partner en het daaraan gekoppelde begrip gezamenlijke huishouding, onderschrijven we. Maar de nu gekozen redactie zorgt voor – naar wij aannemen – onbedoelde effecten. Een oplossing kan naar onze mening worden gevonden door aansluiting te zoeken bij artikel 1a Successiewet. Op grond van dit artikel worden twee ongehuwde personen slechts als partner aangemerkt indien zij – naast enkele andere voorwaarden – ingevolge een notarieel samenlevingscontract een wederzijdse zorgverplichting hebben. Binnen deze definitie kunnen partners deze verplichting naar eigen inzicht en goeddunken invullen. Daarin kan de wederzijdse zorgverplichting breder zijn dan het uitsluitend wederzijds bijdragen in de kosten van de huishouding. Bijvoorbeeld door de verplichting om de zorg voor de kinderen gezamenlijk uit te voeren. Hij kan echter ook smaller zijn, door bijvoorbeeld de puur op economische basis gemaakte afspraken om wederzijds bij te dragen in de kosten van levensonderhoud uit te sluiten van de wederzijdse zorgverplichting in deze zin.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Consultatieversie wetsvoorstel Wet toekomst pensioenen.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 28 april 2021.