Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Discriminatie van alleenstaanden in pensioenregelingen

29 mei 2017

Mevrouw W vindt dat alleenstaanden ongelijk behandeld worden in pensioenregelingen. In haar brief van 24 mei reageert staatssecretaris Klijnsma op deze klacht. Maar hoe staat het eigenlijk met het wetsvoorstel Integratiewet Algemene wet gelijke behandeling? In de Internetconsultatie over dit  wetsvoorstel maakte W haar standpunt eerder al duidelijk?

Discriminatie van alleenstaanden

Mevrouw W is van mening dat alleenstaanden ongelijk behandeld worden in pensioenregelingen omdat zij ongevraagd en ongewenst moeten meebetalen aan een partnerpensioen op risicobasis. Daarbij komt dat alleenstaanden in de ABP-regeling geen mogelijkheid hebben tot ‘opting-out’ of terugbetaling van de premie. W schreef hierover naar de Tweede Kamer. Eerder deed zij dit al bij de internetconsultatie in 2010 van het voorstel voor de Integratiewet Algemene wet gelijke behandeling. Toen diende zij namelijk een notitie in over discriminatie van alleenstaanden

De Tweede Kamer vroeg Klijnsma op 16 februari 2016 om antwoord te geven op de reactie van W. 

Klijnsma: objectieve rechtvaardiging van discriminatie

De Algemene wet gelijke behandeling, artikel 1 van de Grondwet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur bieden  biedt  alleenstaanden  bescherming tegen indirect onderscheid op grond van hun burgerlijke staat  Voor indirect onderscheid op grond van burgerlijke staat moet er een objectieve rechtvaardiging zijn, anders is dit niet toegestaan.

Sociale partners zijn primair verantwoordelijk voor de vorm en inhoud van het partnerpensioen, binnen onder andere de grenzen van het gelijkheidsbeginsel. Op decentraal niveau hebben sociale partners dus de keuze om wel of niet een regeling voor partnerpensioen overeen te komen. Zij kunnen kiezen voor een regeling met een partnerpensioen verzekerd op opbouwbasis, op risicobasis of op gemengde basis.

Klijnsma hierover: Een collectieve verplichte verzekering van nabestaandenpensioen op risicobasis – hetgeen impliceert dat geen uitruil mogelijk is - is naar mijn mening geoorloofd (objectief gerechtvaardigd).

Zij motiveert dit in haar brief als volgt: In het verleden heeft uw Kamer ook vragen gesteld over discriminatie van alleenstaanden in pensioen. In de brief van 25 maart 2008 heeft toenmalig minister Donner opgemerkt dat de vormgeving van het nabestaandenpensioen primair de verantwoordelijkheid is van sociale partners. Daarbij is gewezen op de ontwikkeling dat de pensioenregelingen, die sociale partners overeenkomen, een verschuiving laten zien van een ‘collectieve verantwoordelijkheid’ van zorgplicht voor de partner naar een meer individuele verantwoordelijkheid. Dat deze ontwikkeling zichtbaar is, impliceert echter geenszins dat sociale partners niet langer een partnerpensioenregeling zouden mogen overeenkomen waarin alle werknemers deelnemen, ook de werknemers zonder partner. In dit verband verwijs ik ook naar de antwoorden op Kamervragen van 17 november 2008. (…) Zoals ook is opgemerkt in de antwoorden op bovengenoemde Kamervragen gaat het om een vorm van solidariteit die in de juiste verhouding staat tot en past bij de overige vormen van solidariteit die een collectieve pensioenregeling kenmerken. De kosten van een risico-nabestaandenpensioen voor pensionering zijn relatief gering en de kans dat een deelnemer voor pensionering, al dan niet voor langere tijd, een partner krijgt voor wie hij het overlijdensrisico wil dekken, is reëel. Het afdwingen (door de wetgever) van partnerpensioen op opbouwbasis zou leiden tot aanzienlijke kostenverhogingen waardoor de dekking van nabestaandenpensioen opnieuw ter discussie kan komen te staan. Daarbij merk ik nog op dat het partijen vrij staat om afspraken te maken over het kunnen afzien van een nabestaandenpensioen op risicobasis.

De ABP-regeling waaraan W refereert kent geen ‘opting-out’ of een mogelijkheid om betaalde premie terug te krijgen. Bij pensioeningang wordt voor alleenstaanden het kapitaalgedekte partnerpensioen (partnerpensioen bij overlijden vanaf 67 jaar) standaard uitgeruild naar een hoger ouderdomspensioen, tenzij de alleenstaande aangeeft dit niet te willen. In het laatste geval wordt  deze uitruil niet toegepast. Klijnsma: Het moeten meebetalen aan een nabestaandenpensioen op risicobasis is mijns inziens een vorm van solidariteit waarvoor de sociale partners die betrokken zijn bij de ABP-regeling gekozen hebben. Dit is naar mijn mening geoorloofd binnen de kaders van het gelijkheidsbeginsel, zoals in de bovengenoemde Kamerstukken is toegelicht.

Commentaar

In haar reactie aan de Tweede Kamer geeft Klijnsma aan dat W haar mening dat ‘solidariteit geen excuus kan zijn voor discriminatie van alleenstaanden’ eerder ventileerde. Bij de internetconsultatie in 2010 van het voorstel voor de Integratiewet Algemene wet gelijke behandeling diende W namelijk een notitie in over discriminatie van alleenstaanden in het nabestaandenpensioen.

Klijnsma schrijft de Tweede Kamer dat het niet gebruikelijk is om reacties op een internetconsultatie van een afzonderlijk antwoord te voorzien. Dat geschiedt via de memorie van toelichting bij het betreffende wetsvoorstel, aldus Klijnsma. Het is echter onduidelijk wat op dit moment de status van dit wetsvoorstel (en de memorie van toelichting) is. In zijn brief van 2 december 2013 zegde minister Plasterk toe dat hij een voorstel voor een wijziging van de Awgb in de eerste helft van 2014 in procedure zou brengen. Maar verder lijkt het radiostilte rond dit wetsvoorstel. Niet zo vreemd dat W haar punt nog eens aan de orde stelt via de Tweede Kamer.

De Integratiewet Awgb voegt de belangrijkste wetten op het gebied van gelijke behandeling samen tot één wet, de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb).. Dit betreft een samenvoeging van

- de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen (Wgbm/v),

- de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz),

- de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (Wgbl) en

- de artikelen 7:646 en 7:647 van het Burgerlijk Wetboek.

 

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Kamerbrief Staatssecretaris Klijnsma 24 mei 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 29 mei 2017