Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

DNB publiceert “Q&A aanpassen pensioeningangsdatum met interne CWO”

6 maart 2018

Naar aanleiding van de wijziging van artikel 83 Pensioenwet, die per 1 maart 2018 inwerking trad, publiceerde DNB op 2 maart een herziene versie van de Q&A over het aanpassen van de pensioeningangsdatum met interne collectieve waardeoverdracht.

Vraag

Is er sprake van een interne collectieve waardeoverdracht, als bedoeld in artikel 83, lid 1, letter c PW als een pensioenuitvoerder bij of na een collectieve wijziging van de pensioenovereenkomst met een hogere pensioeningangsleeftijd ook de pensioeningangsdatum van bestaande pensioenaanspraken verhoogt?

Antwoord

Ja, dan is sprake van een interne collectieve waardeoverdracht. Door de wijziging van artikel 83 PW kunnen de (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden geen bezwaar meer maken als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Ook hoeft de pensioenuitvoerder een dergelijke interne waardeoverdracht niet meer bij DNB te melden en kan DNB geen verbod opleggen.

Voorwaarden

De aanvullende voorwaarden staan in het nieuwe lid 3 van artikel 83 PW:

  1. De nieuwe pensioenrichtleeftijd betreft een pensioenrichtleeftijd als bedoeld in artikel 18a, zesde lid Wet LB 1964, zoals dit artikel op enig moment luidt of luidde;
  2. de pensioenregeling voorziet in de mogelijkheid de ingangsdatum te vervroegen naar de ingangsdatum voor de wijziging van de pensioenovereenkomst; en
  3. bij de vervroeging worden in de flexibiliseringfactoren naar de ingangsdatum van het pensioen voor de wijziging geen selectiefactoren in aanmerking genomen.

 

Over deze wetswijziging, die onderdeel was van het wetsvoorstel Wet waardeoverdracht klein pensioen, schreven wij eerder in ons nieuwsbericht van 4 september 2017.

DNB geeft aan dat de wijziging van artikel 83 PW een adequate verduidelijking en aanvullende waarborgen geeft ter invulling van de door de staatssecretaris van SZW in haar brief van 17 januari 2013 gestelde voorwaarden. Zie hierover ons nieuwsbericht van 18 januari 2013.

Deze voorwaarden zijn dat bij een actuariële herrekening van bestaande pensioenaanspraken in verband met een verhoging van de pensioenrichtleeftijd die herrekening actuarieel neutraal plaatsvindt en het pensioenreglement erin voorziet dat de betrokken (gewezen) deelnemer de pensioeningangsdatum individueel weer kan terugzetten naar de oorspronkelijke pensioenleeftijd, zonder dat dit op voorhand zijn rechten aantast. Dat laat volgens DNB onverlet dat als een individuele deelnemer op enig moment de pensioeningangsdatum weer naar de oorspronkelijke pensioenleeftijd terugzet, het kan zijn dat het omrekentarief tot een iets andere uitkomst leidt in vergelijking met de eerdere actuarieel neutrale omrekening.

Commentaar

DNB actualiseert met deze Q&A de eerdere Q&A van 26 november 2013 met dezelfde vraag. In zoverre is het niet verrassend. Opvallend is wel dat DNB in deze eerdere Q&A, in navolging van de staatssecretaris van SZW in haar brief van 17 januari 2013, van mening was dat het louter op basis van een verhoging van de pensioenrichtleeftijd verhogen van de bestaande pensioenaanspraken géén interne collectieve waardeoverdracht in de zin van artikel 83 PW inhield, mits sprake was van collectieve actuariële gelijkwaardigheid. In de nieuwe Q&A van 2 maart 2018 zegt DNB dat wél sprake is van een interne collectieve waardeoverdracht.

Door de wijziging van artikel 83 PW zijn de grootste uitvoeringstechnische knelpunten voor pensioenuitvoerders echter weggenomen. Deelnemers hebben bij een waardeoverdracht die voortvloeit uit het alleen verhogen van de pensioenrichtleeftijd geen individueel bezwaarrecht meer en DNB hoeft niet meer vooraf te worden geïnformeerd. En, zoals de parlementaire stukken bij deze wijziging duidelijk maakte, dat sprake mag zijn van verschillen in de hoogte van de pensioenuitkeringen als na uitstel weer wordt vervroegd omdat het inherent is aan het hanteren van collectieve factoren die periodiek worden herzien dat er verschillen ontstaan. Waar het om gaat, is dat sprake is van collectieve actuariële gelijkwaardigheid. Met andere woorden dat de contante waarde van de pensioenaanspraken voor en na de vervroeging gelijk is op basis van objectieve actuariële grondslagen.

Tenslotte is nog van belang dat alleen sprake is van een interne collectieve waardeoverdracht in de zin van artikel 83 PW als; “de waardeoverdracht ertoe strekt in verband met een collectieve wijziging van de pensioenovereenkomsten de waarde van pensioenaanspraken of pensioenrechten aan te wenden bij dezelfde pensioenuitvoerder overeenkomstig die gewijzigde pensioenovereenkomsten”.

Als bij het aanpassen van de pensioenleeftijd aan een verhoogde fiscale pensioenrichtleeftijd geen sprake is van een wijziging van de pensioenovereenkomst, bijvoorbeeld omdat deze als vanaf aanvang een variabele pensioendatum heeft die fiscale pensioenrichtleeftijd automatisch volgt, leidt een wijziging van de fiscale pensioenrichtleeftijd in de Wet LB 1964 dan niet tot een wijziging van de pensioenovereenkomst.  En is er dus ook geen sprake van een interne collectieve waardeoverdracht. Dat laat uiteraard onverlet dat ook in dergelijke gevallen de pensioenaanspraken moeten worden herrekend op basis van objectieve en collectief gelijkwaardige actuariële factoren.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Q&A 02220 van DNB van 1 maart 2018

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 6 maart 2018.